Reizen met kinderen? ‘Bijna zo leuk als de Belgische kust’

14 jaar geleden gingen we samen op reis, een jaar, in Azië, mijn man en ik. We waren amper een maand samen toen we die beslissing namen. Die reis was de basis voor onze relatie. Een reis waarin we elkaar leerden kennen, waarin we de zotste avonturen beleefden, van stiekem overnachten op de Chinese muur tot een motor kopen in Vietnam en over de Cambodjaanse grens smokkelen. Een jaar waar, toegegeven, ook foute verwachtingen werden gesteld, want zelfs na 14 jaar krijg ik mijn man nog steeds niet uitgelegd dat 2 maal per dag seks niet dé maatstaf is. We reisden en we droomden over wat nog zou komen. Waar zouden we wonen? Kinderen? En zouden we met die kinderen ook nog kunnen reizen? We namen het ons voor.

Maak van je kwetsbaarheid je sterkte

Er zijn intussen 3 kereltjes, van 7, 9 en 11. En ja, ze hebben al wat gereisd, in Europa, maar ook in Cuba, Panama, Nepal. Patagonië in Argentinië stond al lang op ons verlanglijstje. Een onmogelijke bestemming gezien het in onze zomer daar winter is. Tot plots alles samenviel, een uitnodiging voor een congres in Buenos Aires, het juiste moment in de loopbaan en dus vertrokken we begin november voor een maand naar Patagonië. De leerkrachten bezorgden ons een overzicht van de te verwerven leerstof. Daar begonnen we tijdens de herfstvakantie al aan om wat ‘voorsprong’ te nemen. Tot daar onze voorbereiding.

Voor de rest hadden we nog niet zoveel overdacht. Dat doen we overigens nooit. De Lonely Planets gaan meestal pas echt open op de vlucht, of op dag één van de reis. En dan begint het dromen. Wat gaan we allemaal doen? Misschien is het vreemd om niet alles op voorhand vast te leggen, maar eigenlijk vinden we het best fijn om zo flexibel te zijn. Zo kunnen we ergens wat langer blijven als de jongens het er leuk vinden, of we vluchten als het weer wat tegenslaat. Niets regelen, geeft natuurlijk ook wat onzekerheid, maar daar hebben we precies die kinderen voor. Niemand laat kinderen op straat staan. Maak van je kwetsbaarheid je sterkte 😉. En zo gingen we dus ook behoorlijk onvoorbereid naar Patagonië.

Hoe is ons maandje weg meegevallen? Reizen met kinderen. Het leven zoals het is, on the road.

Krakende onderbroeken 

De jongens dragen sowieso hun eigen rugzak. Travel light is dus de boodschap. Beter een wasje onderweg dan te veel kleren. Er zijn dus niet genoeg onderbroeken mee. Helaas een argument voor de jongens om niet van onderbroek te moeten wisselen. Hun maatstaf om te wisselen van ondergoed is meestal dat het ding werkelijk moet ‘kraken’ voor je ze niet meer aantrekt. Speelgoed nemen we sowieso niet mee. Dat hebben we na de verschillende reizen al geleerd. Een stok, een steen, maar vooral straathonden en katten zorgen bij uitstek voor het grootste vertier. De ‘leukheidsgraad’ van de bestemming wordt meestal ook gemeten op basis van de hond. ‘Wat vond je het leukste plekje van die reis?’ ‘Waar ze die hond hadden die altijd een stok ging halen.’

Onze logeerplekjes leggen we meestal de avond voordien vast via Airbnb, of ter plaatse door langs wat adresjes te gaan. We blijven 1 of 2 nachtjes ter plaatse. De jongens geven voorkeur aan twee. Volkswijsheid van Jip (11): ‘De tweede nacht slaap je altijd beter’. In Argentinië en Chili zijn er heel wat ‘cabañas’ (hutjes) met minstens 2 kamertjes en ook een keukentje. Die keukentjes gaven ons ook de gelegenheid om soms zelf te koken met veel groenten, want Argentinië is bij uitstek een vleesland. De jongens gaven er natuurlijk de voorkeur aan om elke dag op restaurant te gaan, ‘het is toch niet erg om elke dag pizza of frietjes te eten?’

Het geluidshuis en de bisnummers 

De afstanden in Patagonië hadden we flink onderschat. De lokale bevolking heeft duidelijk ook andere standaarden: ‘si, es muy cerquita (ja, het is heel dichtbij) en dan betekende het meestal nog een rit van 4 uur. Tijdens die ritten werden de jongens geanimeerd met hoorspelen van het geluidshuis. Zodra die klaar waren, begonnen we aan een bisronde. Ook konden ze af en toe op de I-pad spelen maar de staat van de wegen liet dat niet altijd toe. De bochten, de ‘ripio’ (gravel wegen)  waren niet altijd geschikt voor Loms gevoelige maag. ‘Ja, maar mama, het gaat echt wel  – als het over I-pads gaat, overschat Lom zich wel eens).’ Vijf minuten later, noodstop langs de weg om de pizza in half verteerde staat eruit te zien komen.

Echt veel schermpjestijd hadden de jongens overigens niet. Er was zoveel te beleven, een dagtrekking naar Mount Fitz Roy (21 km, heen en terug, pure kindermishandeling volgens Zen), een gletsjer bezoeken, op zoek naar de ‘cueva de los manos’, de marmeren grotten, de warmwaterbaden, raften, zwemmen in de fjord, walvissen spotten, de zeeleeuwen een bezoekje brengen. Het was een gevarieerde reis waar we ongeveer elk seizoen beleefde, soms 4 op één dag. Niet altijd op kindermaat. Er werd heel wat van hen gevraagd, waaronder behoorlijk wat ‘wandelen’ (waarbij ze vaak uitgebreid hun ‘Brawlstars’ tactieken bespraken) en vaak ook geduld. ‘Ik dacht dat die orka’s hier om 8u30 zouden zijn?’ En nee, ze vatten niet altijd hoe ‘bijzonder’ het is wat we meemaken. Zo stond Zen erop dat terwijl er een 16 meter lange walvis naast onze boot zwom, dat ik absoluut eerst moest kijken naar ‘de vorm die zijn Mentos nu had in zijn mond door het lange zuigen.’ Tegelijkertijd zagen zij dingen die wij niet zagen: ‘broers, kom kijken, deze steen is echt de mooiste die ik ooit gezien heb.’ Ze toonden ons de bijzonderheden door de ogen van een kind. 

Wat ze allemaal leerden 

Maar wat leerden ze veel. Sowieso elke dag een uurtje taal en rekenen. Dat lijkt niet veel maar we probeerden daarnaast de leerstof uit de boeken doorheen de dag te koppelen aan wat we zagen. Stenen in de fjord kregen een getalwaarde en zorgden zo voor de nodige opstelsommetjes als er met stenen gegooid werd. Met de wisselkoersen oefenden we de maal – en deeltafels. Ze maakten infofilmpjes voor de klas. Ze leerden wat een gletsjer is, de habitat van de Condor, de levenswijzen van de walvis, waarom het in België herfst is terwijl het hier lente is, wat is erosie? Jip maakte tabellen in Excell op basis van de informatie over de bevolking in de Trotter reisgids. Ze spreken ook enkele woordjes Spaans: ‘El baño, por favor’, en dan springen wij tevoorschijn zodat ze ook ons de toegang tot het toilet niet kunnen weigeren.  

Ze leerden ook dat centrale verwarming geen vanzelfsprekendheid is, dat er niet overal Wifi is (hoe kan dat nu?), dat wegen niet altijd geasfalteerd zijn, en dat het dichtstbijzijnde ziekenhuis soms op 300 kilometer ligt.

Waarom we geen jaar op reis gaan 

Of ze geen heimwee hadden? Eigenlijk niet. ‘Waarom doen we dit geen jaar?’ vroeg Zen. Het is een vraag die we ons tijdens onze eerste lange reis naar Cuba ook gesteld hadden, maar het antwoord is: omdat een maand een heerlijke periode om samen als gezin te cocoonen, maar daarnaast komt na die maand ook de nood om als koppel eens iets alleen te kunnen doen, of zelfs in je eentje. En geloof me, het is niet dat die kereltjes op reis geen ruzie maken. ‘Mama, Lom heeft mij geduwd’, ‘Ik moet weer in het midden zitten op de achterbank.’ ‘Ik wil dat bed.’  

Het was een fantastisch reis, geen vakantie, dat niet, want reizen is echt wel een werkwoord waar we voor uitdagingen kwamen te staan, van een lekke band in the middle of nowhere tot lange busritten van 16 uur en jawel, een verloren stuk bagage dat we tot op heden niet teruggevonden hebben. Uitdagingen die er steeds om vroegen om samen naar oplossingen te zoeken, en af en toe ook wat ruzie te maken.

Of de kinderen het ook een leuke reis vonden? Toen ik het aan Lom vroeg, zei hij vol overtuiging: ‘ja mama, bijna net zo leuk als Koksijde!’ 😉. En daarom reizen we dus met onze kinderen, omdat zij het het bijna zo leuk vinden als de Belgische kust en wij net een tikje leuker.

Als de werkelijkheid de grootheidswaanzin overtreft

‘Ik ga een boek schrijven,’ de verpleegster knikte. ‘Het gaat weken in de top 10 staan. Het gaat zelfs vertaald worden.’ ‘Grootheidswaanzin’, noteerde ze in mijn dossier. En ze had gelijk.

We zijn intussen 7 jaar later. De waanzin is gaan liggen, maar soms lijkt mijn leven maffer of misschien zelfs grootser dan wat ik me tijdens mijn psychose had voorgesteld. Vijf dagen verbleven we met ons gezin in Buenos Aires, hoofdstad van Argentinië, en de plek waar ik op het tweejaarlijkse internationale congres ‘Dialogical Practices’ een praatje mocht geven. Ik leerde Elisa en Martin, twee Argentijnen twee jaar geleden kennen op een congres in Turijn. ‘In 2019 organiseren we een ‘conferencia’ in Argentinië, je moet er komen spreken.’ Ik had het wat weggelachen.

Vorig jaar besliste ik in maart om loopbaanonderbreking aan te vragen op mijn werk op de hogeschool. Dat vond ik een behoorlijk moeilijke beslissing. Zou ik niet te veel missen? Wat als ze mij niet meer misten? Maar ik besloot dat een jaar me alleen maar bezig houden met lezingen, schrijven, Psychosenet en ja ook die 3 leuke kereltjes misschien ook wel een goed idee was. De dag waarop ik enigszins twijfelachtig aan mijn opleidingshoofd liet weten dat ik er een jaartje uitging, was de dag waarop ik ’s avonds een mailtje kreeg van Elisa om te komen spreken op het congres in Buenos Aires. Alsof het zo had moeten zijn.

We hebben een klein appartementje in Palermo vlakbij het park 3 Febrero. Het park bezoeken we dagelijks, om op een terrasje samen met de kinderen schoolwerk te doen, een balletje te trappen of gewoon even te wandelen. Buenos Aires is an sich heel groen, met brede lanen, koloniaal ogende gebouwen en veel bomen. Tijdens de congresdagen zorg ik dat ik ’s morgens samen iets leuks kan doen met Jan en de kinderen. Verplaatsingen doen we met de taxi. Dat is met ons 5’en het goedkoopst. Voor maximum 3 euro staan we met z’n allen aan de andere kant van de stad. We bezoeken San Telmo met de nauwe straatjes, we kijken hoe op elke straathoek tango wordt gedanst. We slenteren door het kleurrijke La Boca waar een soort van papier maché figuren in de vorm van de paus, Maradonna of Evita Perron vanop balkons naar de voorbijgangers zwaaien. In Retiro trekken we tijd uit om de grote begraafplaats te bezoeken vol majestueuze graven. De jongens zijn vooral in de ban van de doodskisten die soms op kiertjes lijken te staan. Niet vreemd als je bedenkt dat Halloween nog maar net achter ons ligt.

Reizen met kinderen betekent dat je net ook wat andere plekken bezoekt. Voor Jips verjaardag nemen we een taxi naar een buitenzwembad. Hoewel het 28 graden is, blijkt het pas open te gaan in de ‘zomer’, op 21 december dus. De teleurstelling is groot maar ‘El museo de los ninos (Het kindermuseum) brengt soelaas, een soort Technopolis in het Spaans. En ook een bezoekje aan het Hard Rock Café Buenos Aires (‘Nu heb ik ook zo een trui zoals sommigen in mijn klas) maken het voor Jip een onvergetelijke verjaardag!

Die 6de november is voor mij ook om een andere reden onvergetelijk. Om 18u30 geef ik mijn praatje op het congres. Ik ben al wat vroeger gegaan om nog wat lezingen bij te wonen, maar om 18u komen Jan en de kinderen ook de zaal binnengelopen. Ik heb lang getwijfeld om mijn lezing in het Spaans te geven, maar ik voel me net wat comfortabeler bij het Engels. Ik houd het dus bij een korte Spaanse introductie. Via hoofdtelefoontjes krijgen de mensen een simultane vertaling waardoor ze uiteindelijk maar enkele seconden later met mijn moppen moeten lachen dan wanneer ik ze maak. De reacties achteraf zijn hartverwarmend, want hoewel het verhaal zich afspeelt aan de andere kant van de wereld, is het thema ‘moederschap’ voor velen herkenbaar. Jan en de jongens krijgen een applaus van de zaal en er wordt zelfs gezongen voor Jip.

Ook de dag erop word ik tijdens het congres nog regelmatig aangesproken. Een psychiater uit Brazilië vraagt een foto met mij: ik wil je foto laten zien aan mijn patiënten opdat ze weten dat er hoop is, dat het goed kan komen. Ik lach. Dat mijn verhaal tot in het verre Brazilië hoop mag brengen, dat had ik in mijn grootste grootheidswaanzin niet kunnen bedenken.

Over de penis in vol ornaat en mijn ode aan de leerkracht

10 jaar sta ik nu in de lerarenopleiding. Ik doe het ontzettend graag, maar ondanks de verschillende jaren ervaring lijd ik nog steeds aan het ‘imposter syndroom’. Ik heb in heel wat verschillende onderwijscontexten les gegeven maar nooit in de lagere school. Wie ben ik dan om in de lerarenopleiding te vertellen hoe iemand in het basisonderwijs moet lesgeven? En dus besloot ik vorig jaar, enigszins impulsief (You know me) te starten met onze eigen opleiding. Een toch wel geflipt idee, want plots gaf ik les aan studenten die in andere vakken ook mijn medestudenten waren. Voor collega’s was het ook niet vanzelfsprekend. En heel eerlijk, ik heb het me zelf ook al geregeld beklaagd. Want natuurlijk zegt iedereen, ‘dat examen, ja, jou zal dat wel kunnen’, en ja het zal lukken maar niet zonder studeren. En veel studeren, want een leerkracht lager onderwijs moet van alle markten thuis zijn.

‘En natuurlijk heb je dat ooit geleerd, maar dat zat duidelijk verstopt in de diepste krochten van mijn hersenen.’

Zo had ik afgelopen zomer het examen Wereldoriëntatie. Dat had ik omwille van de drukte in juni uitgesteld. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een tweedezitexamen moest afleggen en ik blijk daar niet zo goed in te zijn, want er is altijd wel iets anders leuks in de zomer om te doen dan die berg leerstof te verwerken. En geloof me het is een berg. Aardrijkskunde, geschiedenis, fysica, biologie, allemaal op een hoopje. Van hefbomen en pneumatische pompen tot de werking van een oog. En natuurlijk heb je dat ooit geleerd, maar dat zat duidelijk verstopt in de diepste krochten van mijn hersenen.

Een dag voor het examen had ik nog steeds 100 pagina’s te gaan, zo van die pagina’s met kleine lettertjes wel te verstaan. En toen kwam ik hem tegen, de penis en zijn doorsnede. Het was kiezen. Ik kon niet alles even grondig meer studeren en dus besloot ik, gezien ik er vier thuis heb rondlopen en ik daar echt soms wel een overdosis aan heb, hem te negeren. Ik gokte dat, gezien onze multiculturele populatie van studenten, mijn collega-lector die penis wel niet zou vragen op het examen.

‘Mijn adem stokte toen ik hem zag, in vol ornaat. De penis.

En toen kwam de dag des oordeels. Ik bladerde haastig door de examenbundel. Mijn adem stokte toen ik hem zag, in vol ornaat. De penis. Met alle onderdelen om te benoemen en zoveel onderdelen heeft het ding niet eens omdat het ook allemaal niet zo complex is bij die mannen, maar ik kwam er niet meteen op. En de gedachten kwamen. Wat zouden mijn collega’s denken als ik de penis niet kende? Ik kon toch niet niet slagen op dit vak. Want geloof me, vaklectoren op een hogeschool. Ze zijn zo gepassioneerd én zo gespecialiseerd in hun vak dat ze soms vergeten dat niet iedereen die leerstof zo vanzelfsprekend vindt. Ik maak me er ook schuldig aan hoor. Hevig gesticulerend in de lectorenruimte na het verbeteren van het examen, dat een student niet weet wat een aanwijzend voornaamwoord is. Voor heel wat mensen, ook lectoren, is dat geen parate kennis meer. En ik heb ook collega’s die af en toe een dt-fout schrijven. Het maakt ons menselijk (al vind ik dat natuurlijk wel erg).

Het is me uiteindelijk gelukt hem te benoemen, de penis. En ja ik heb de urineblaas verwisseld met de prostaat, maar goed de buit is binnen, zowel het punt op het examen, als de buit waar die prostaat mede voor verantwoordelijk is. Ze lopen hier elke dag met z’n drieën vrolijk rond.

‘Ik leer elke dag uit mijn fouten.’

Intussen loop ik mijn tweede jaar stage. En wat leer ik ontzettend veel bij. Hoe mijn ideale lesjes nooit ideale lesjes zijn, hoe ook nog de boterhammenlijst moet ingevuld worden, hoe ik plots die ene leerling moet opvangen met wie het even moeilijk gaat terwijl we eigenlijk met z’n allen aan het kleinste gemeenschappelijke veelvoud zouden moeten werken. En ja, ik vind het spannend en ik voel me best kwetsbaar want ook hier hangen de woorden van velen boven mijn hoofd ‘jij zou dat toch moeten kunnen’, en ja ik kan het wel, maar dat betekent niet dat het niet heel hard werken is. En vooral, dat betekent niet dat ik geen fouten maak, of mag maken. Ik leer elke dag uit mijn fouten.

En dus bij deze, dit is mijn ode aan de leerkracht op deze lerarendag! De duizendpoot die én kennis overbrengt én coacht, die dagelijks een gevecht aangaat met de administratie, die toezichten houdt, die de verdrietjes van het ene kind opvangt, en de boosheden van de andere, die moeilijke gesprekken aangaat met ouders, en even gedreven de macarena danst in hawairokje op het schoolfeest.

Ik vind het een prachtige baan. Het geeft me zoveel energie. En ik zal nooit meer dezelfde lerarenopleider zijn na deze ervaring. Maar ik word boos als ik de zovele berichten in de krant lees.  Als ik vrienden soms misprijzend hoor praten over dit mooiste beroep van de wereld. Vrienden die ouders zijn en na enkele weken vakantie blij zijn dat ze hun kinderen weer kunnen afzetten op een school. ‘Nu is het wel genoeg geweest,’ zuchten ze dan. ‘Wat een drukte.’ (Geloof me, 102 keer ‘juf’ op een dag horen is geen uitzondering!).  Ouders die verwachten dat leerkrachten de beste zorgen aan hun kind geven maar daar zo weinig erkenning voor geven, want ‘he, dat is je job’!

‘Het is meer dan een job, het is een roeping, een missie.’

Laat me even zeggen, voor zovele leerkrachten is het meer dan een job, het is een roeping, een missie. Het is het mooiste wat er bestaat, kinderen iets bijleren, vormen. Hun ontwikkeling van zo nabij mogen meemaken. Het is een van de belangrijkste beroepen in onze maatschappij. In het onderwijs ligt de belofte van de toekomst. En daarom, vandaag, op deze lerarendag, mijn diepste respect, mijn diepste waardering. Dank je wel lieve leerkrachten voor jullie dagelijkse inzet. Jullie maken het verschil, elke dag weer. Dat we dat niet mogen vergeten!

Dát, en natuurlijk de onderdelen van de penis. Díe vergeet ik ook nooit meer. 😉

fotocredits: Hilde Segers Klikout

Zonen en telefoneren

Het begin van het schooljaar komt dichterbij. Een wat vreemd schooljaar, want ik stap er dit jaar even uit. Loopbaanonderbreking om volledig als zelfstandige aan de slag te gaan. De vakantie was in die zin ook iets minder ‘vakantie’. Er moesten zaadjes geplant worden zodat ik in het najaar al wat kan oogsten. Figuurlijk dan. En dus redigeerde ik mijn boeken, maakte ik een lessenpakket, legde ik contacten met organisaties. Het was een hele klus om dat te doen met die drie kerels rond me. Telefoneren vinden de zonen namelijk geen reden om me niet te storen. Als ik dan aan de lijn ben met een of andere congresorganisator komen ze schreeuwend aanlopen ‘dat ‘broer’ hem in de ballen heeft geschopt’. En dan loop ik op mijn beurt weg om het geschreeuw te vermijden, gebarend dat het nu even niet past. En dan blijven ze me toch achtervolgen. Het zijn vreemde taferelen in de tuin waarbij ik rennend door mijn tuin loop met mijn zonen achter me aan, licht hijgend tegen de congresorganisator aan de lijn. Als ze eindelijk opgeven of ik heb een voorsprong kunnen maken waardoor ik me kan verstoppen, druipen ze vaak af. Het vreemde is dat ze de laatste tijd steeds beter worden om hun conflictjes zelf op te lossen. Want begrijp me niet verkeerd, ik ben heel graag een ‘nabije’ mama, maar bij mijn zonen heb ik vaak het gevoel dat een cursus ‘scheidsrechter’ me meer had voorbereid op het moederschap.

En dus kijk ik ook wel een beetje uit naar die 2de september. Dat het wat rustiger wordt in huis, dat ik ongestoord kan schrijven, regelen én ja telefoneren. Al voel ik nu ook al dat ik ze ontzettend ga missen. Zij kijken er niet zo naar uit. Maar wat gingen hun ogen stralen toen ik hen vertelde dat ze de eerste schoolweek al zeker 3 keer ’s middags thuis mogen komen eten. ‘Echt, mama?’ zei Zen terwijl hij me om de hals vloog. ‘Echt!’ antwoordde ik, terwijl ik op de achtergrond hoorde hoe Lom krijste dat ‘Jip hem een boks had gegeven.’

En toen waren de kinderen één dag de baas…

Er waren klachten bij de ‘Broerenvakbond’. Die broerenvakbond bestaat uit onze zonen, Jip 10, Lom 9 en Zen 7 jaar oud. De broerenvakbond is machtig, gezien ze, in ons gezin altijd in de meerderheid zijn tegenover het aantal ouders (tot op heden slechts 2 leden).

Er waren te strenge regels over het I-pad en Playstation gebruik. Het halfuurtje per dag was huns inziens veel te weinig, want ‘iedereen, ja werkelijk iedereen van hun vriendjes’, en dit was degelijk onderzocht en bevraagd, had meer ‘schermpjestijd’ dan zij.

Fortnite en Brawl stars zijn de grootste uitdagingen waar ons gezin dagelijks mee geconfronteerd wordt.

Tijdens een familievergadering werd besloten over te gaan tot een experiment. Eén dag zouden we de rollen omdraaien. De broers zouden onze rol van ouder overnemen, wij die van kind. Concreet zou dat betekenen dat ze van 7u30 tot 16u30 volledige vrijheid kregen om de zaken, en dus ook de Playstationtijd, zelf te regelen. Ze kregen een ‘eetbudget’ van 5 euro per persoon, met nog 10 euro extra voor ons, ‘de kinderen’, want ook voor de warme maaltijd zouden ze zelf moeten zorgen.

Er werd enthousiast afgeteld naar de magische dag die, als ik mijn zonen beluisterde, vooral non-stop gametijd zou bieden. Want hoewel onze kereltjes behoorlijk wat buiten spelen, Fortnite en Brawl stars zijn de grootste uitdagingen waar ons gezin dagelijks mee geconfronteerd wordt. Van eindeloze gesprekken over skins en guns tijdens het avondeten tot heuse rollenspelen in de tuin waarbij het spel gewoon verder gaat. Met drie zonen in huis lijkt Fortnite maar al te vaak op een vervelende buur die zich te pas en te onpas zelf uitnodigt op de koffie en met geen stokken buiten te krijgen is.

‘Aha, kniel voor uw baas, onze dag is begonnen.’

De dag begon naar goede gewoonte om klokslag 7 uur. Met het nodige voetstappengedonder stormden de drie zonen naar beneden, fluisterend (waarom nog fluisteren na zoveel lawaai op de trap?) ‘dat het nu echt niet meer lang zou zijn tot hun dag zou starten.’ Ze sprintten eerst nog snel naar buiten. Half uurtje trampoline springen, want daarna zouden ze, naar eigen zeggen, daar geen tijd meer voor hebben.

Precies 30 minuten later kwamen ze buiten adem weer de keuken in gerend, Lom, de middelste hevig gesticulerend: ‘Aha, kniel voor uw baas, onze dag is begonnen.’ Het gaf ons meteen inzicht in hoe onze kinderen ons ouderschap percipiëren. ‘Playstation time!’. Ik opperde nog voorzichtig of ze niet moesten ontbijten, maar onze nieuwe ‘ouders’ zagen duidelijk geen meerwaarde in de ochtendmaaltijd. Ze trokken zich terug en drie uur lang was het muisstil in huis. Als ik voorbij kwam om de was weg te leggen – ja, zo een voorbeeldig kind ben ik – keek Jip af en toe nog wat schuldbewust op ‘ik ga zo meteen stoppen, hoor’. ‘Jij beslist, Jip’. De twee anderen leken zich in een andere wereld te bevinden waar waswegleggende kinderen duidelijk geen rol speelden.

‘Ze kwamen vertellen dat zij als ouders beslist hadden om ‘skins’ te kopen.’

Toegegeven, ik kon die ochtend heel wat taakjes afwerken en ook Jan, die van thuiswerkte, slaagde erin 30 mails te beantwoorden. Om half twaalf stommelde Jip naar beneden, hij opende een kinderkookboek, nam er een papiertje bij en schreef nauwkeurig de ingrediënten op. 5 minuutjes later nam hij zijn fiets en reed hij weg. ‘Naar de winkel’, wist hij me nog te zeggen toen ik hem vragend aankeek.

De twee jongste zonen waren er intussen ook in geslaagd zich los te rukken van het scherm. Zowel aan Jan als aan mij waren ze komen vertellen dat zij, als ouders beslist hadden, dat ze ‘skins’ zouden kopen, en of we dan even de code voor de betaling konden geven. ‘ Ik ben een kindje, ik ken de code niet,’ antwoordde Jan en ook ik gaf aan dat je geen geld kon uitgeven als je als ouder geen geld had. ‘Maar we hebben geld, mama,’ wist de kleinste, Zen te zeggen. ‘Op onze spaarrekening staat toch nog  ons verjaardaggeld.’ Even vielen we uit onze rol. ‘Kijk, jongens, die afspraak maken we. We geven niet zomaar geld uit aan games.’ Er volgde meteen veel protest, dat zij de ouders waren, dat zij daar over mochten beslissen, dat wij daar niets over te zeggen hadden. Met het nodige gemor trokken ze zich terug in hun gamebunker. Jip maakte intussen in de keuken verse spinaziepuree met hamblokjes.

‘Een maand? Dat is wel heel streng.’

Toen Jip zijn broers ging halen om te eten, sloeg hij alarm. ‘Papa, ik denk dat je niet zo blij gaat zijn. De jongens hebben voor 55 euro skins gekocht.’ Hoe ze precies toch aan de code gekomen zijn om de betaling uit te voeren, weten we nog steeds niet maar het was meteen het einde van ons experiment.

Bij verse spinaziestomp met hamblokjes hielden we een spoedfamilievergadering over geschonden vertrouwen, niet nakomen van afspraken, skins en hoe we dit nu gingen oplossen.

Zen en Lom kwamen uiteindelijk zelf, met enig schuldbesef, met een suggestie. Ze zouden streepjes trekken voor elk ijsje van de ijskar dat ze niet zouden eten om de 55 euro terug te betalen, én, stelde Lom met veel bravoure voor, ze zouden een maand niet meer op de I-pad spelen. Zelfs wij moesten even slikken bij zijn voorstel. Een maand? Dat is nog de rest van de zomervakantie. Dat is wel heel streng.

‘Hoe kunnen we in hemelsnaam nu ooit nog eens even tijd hebben voor seks?’

Voor Jip is het experiment gewoon doorgegaan. Hij heeft nog een halfuurtje gespeeld en is toen naar een vriendinnetje gegaan. De jongste twee stellen het nu al 2 dagen zonder I-pad. Op een blad duiden ze secuur aan hoeveel dagen ze nog te gaan hebben voor ze weer mogen spelen. Maar 9 september is nog erg veraf.

En wij? Voor ons is de rust even weer gekeerd. Hoewel. Die maand is wel heel streng! Want hoe kunnen we in hemelsnaam nu ooit nog eens even tijd hebben voor seks? We overwegen nieuwe onderhandelingen met de broerenbond en zijn voorstander van de Wet Lejeune. Strafvermindering omwille van verzachtende omstandigheden! Omdat Playstations en I-pads ons ook wel af en toe goed uitkomen.

Foto credits: Hilde Segers Klikout

Hoe het zelfstigma blijft branden

7 jaar ligt mijn psychose intussen achter me. Ik werk voltijds. Je zou me hersteld kunnen noemen en toch blijft het zelfstigma branden. Maar wat is zelfstigma?

‘Ze moest een filmpje over jou bekijken, over je psychose.’

Gisteren kwam ik op de gang een collega tegen, zo eentje van een ander departement met wie ik op een studiedag een praatje had gemaakt, over koetjes en kalfjes had gebabbeld, meer niet. Sindsdien zeggen we altijd vriendelijk goedendag. En gisteren zei hij dus meer:
– ‘Ha, Brenda, ik zag je gisteren toevallig in mijn woonkamer’? – ‘Hoezo?’
– ‘Mijn dochter studeert humane wetenschappen en ze moest een filmpje op You Tube over jou bekijken, over je psychose.’
Hij zegt het vlot, niet aarzelend, zonder enige schroom.
– ‘Leuk’, zeg ik met een lach.

‘Was ik te druk tijdens dat eerste praatje?’

Mag ik je vertellen wat er achter mijn lach schuilgaat op dat moment? Misschien verbaast het je, ik geef 50 lezingen per jaar, ik vertel in boeken openlijk over mijn psychose, en toch, als iemand die me niet kent, die mijn verhaal niet kent, ‘erachter komt dat ik een psychose gehad heb’, voel ik het stigma branden. Zelfstigma, wel te verstaan, want ik weet niet wat de ander denkt. Ik kan plots alleen maar denken wat ik denk dat die andere denkt: (snap je het nog?)

‘Ja, die bekijkt me nu natuurlijk op een heel andere manier’
‘Hij vindt mij wellicht dommer nu, minder berekenbaar. ‘Wellicht denkt hij dat ik nog ga hervallen.”
‘Was ik te druk tijdens dat eerste praatje. Wellicht denkt hij dat dat kwam door een of andere manie. Ben ik nu te druk misschien? Misschien mag ik niet meer te veel mopjes maken? Een beetje minder lachen. Als ik nu stop met lachen, zou hij dan denken dat ik stemmingswisselingen heb? Hij gaat alleszins nooit meer hetzelfde over me denken. Ik zal veel harder mijn best moeten doen om me weer te bewijzen. Waarom ben ik in hemelsnaam ooit open geweest over die psychose?’

‘Daarom begrijp ik waarom sommige mensen gewoon zeggen dat het ‘goed’ gaat.’

Dat. Dat alles raast door mijn hoofd, dat schuilt achter die lach. Niet nodig, denk je? Dat denkt die man niet? Maar dat zijn dingen die ik zo vaak in de krant lees als het gaat over ‘mensen van mijn slag’. Dat zijn de dingen die ik mensen hoor zeggen als ze praten over het ‘zottenkot’. En daarom, daarom brandt elke keer het stigma weer. En ik wil er tegen vechten, taboes doorbreken, maar ik blijf het zwaar vinden. Ik heb heel vaak het gevoel dat in plaats van begrip, dat ik me vooral nog veel harder moet bewijzen, veel harder moet opboksen tegen alle vooroordelen.

En daarom begrijp ik ook waarom sommige mensen gewoon zeggen dat het ‘goed’ gaat, als je ze vraagt hoe het met hen is, en heel kort even lachen. Een lach is zo veelzeggend.

Deze blog verscheen op www.psychosenet.be

Kinderen als kanariepietjes van onze maatschappij

Met de verkiezingen in zicht rollen de partijen over elkaar heen om hun mening over het onderwijs te geven. Forse uitspraken worden gedaan, puntenplannen worden opgesteld want ‘het gaat niet goed met het Vlaamse onderwijs’. Daarbij wordt echter één fundamenteel inzicht over het hoofd gezien: onderwijs is een middel, geen doel op zich. En dus is ook de beste score hebben op de PISA toetsen of PIRLS ook geen doel op zich. Als leerlingen of studenten prachtige scores hebben op school maar later die mooie resultaten niet weten te verzilveren in de maatschappij, niet hun weg vinden, hun talenten niet kunnen inzetten, dan zijn die punten voor mij weinig waardevol geweest.

Hoog in de rankings

Misschien is dat wat me het meeste stoort aan deze hele onderwijsdiscussie. Ik ben zeker bereid om handboeken aan de deur te zetten, koepels af te schaffen, meer te meten, me meer te laten evalueren opdat we weer stijgen in de PISA ranking op voorwaarde dat dat ook zou betekenen dat we er ook maatschappelijk op vooruit gaan.

En precies daar lijken we niet in te slagen. Nederland mag dan wel de ‘pretpedagogie’ hebben, ze doen het op een heel aantal zaken beter dan wij. Let op, ook wij staan hoog in bepaalde rankings:

We scoren heel hoog op …
het aantal zelfdodingen in West-Europa
wachttijden voor psychische hulp
het aantal ministers per inwoners
het begrotingstekort in vergelijking met de omringende landen

Kinderen als kanariepietjes van de maatschappij

Blijkbaar schort er iets met het onderwijs dat onze politici hebben genoten. Blijkbaar heeft dit kibbelkabinet niet de sociale vaardigheden meegekregen om te kunnen samenwerken. Blijkbaar hebben ze niet de onderzoeksvaardigheden meegekregen om met oplossingen te komen voor 21ste eeuwe problemen, blijkbaar hebben ze niet het reflectieve vermogen om te zien dat de ‘onderwijscrisis’ misschien wel een afspiegeling is van een eigen kortetermijnbeleid.

Focus op kennis zal er niet voor zorgen dat de brooddozen van sommige kinderen gevuld zullen raken. De kinderarmoede werd niet aangepakt. We kunnen de ‘gedragsgestoorde kinderen’ één voor één doorverwijzen naar het buitengewoon onderwijs, maar het gaat niet over één kind per klas. Het zijn er intussen velen. Omdat dat gedrag voortkomt uit een context. Kinderen zijn de kanariepietjes van de maatschappij. Ze kunnen het vaak allemaal niet vatten, niet in woorden, en dus uit zich dat in gedrag. Er is minder sociale cohesie. We moeten vooral werken en dus is er minder tijd voor onze kinderen, minder tijd om voor te lezen zodat het niveau van het begrijpend lezen daalt. Of dacht je werkelijk dat de liefde voor boeken alleen op school kan worden doorgegeven.

‘Er moet een vak komen waarin…’

Alles wat misgaat in de maatschappij wordt doorgeschoven naar het onderwijs. Elke week is er wel iemand die zegt ‘dat er een vak moet komen waarin….’. Willen we werkelijk goed onderwijs, dan moet iedereen zich inspannen zodat de kinderen de maatschappelijke problemen niet hoeven mee te brengen naar de klas.

Hoe politici deze ‘onderwijscrisis’ best aanpakken? Door hun eigen vooropgestelde doelen na te komen, zodat we inderdaad minder ‘zorgen’ hebben in de klas. Pas dan kunnen we ons als leerkrachten werkelijk weer concentreren op het ‘echte lesgeven’.

 

Illustratie Tom Schoonooghe

Aan de ‘leeggangers van het onderwijs’

De afgelopen week regende het berichten over onderwijs. Alleen negatieve berichten. De Morgen kwam met een dossier waarvan de veelzeggende titel ‘Code rood in de klas’ weinig ruimte liet voor een positieve noot. En er werden uitspraken gedaan, oneliners. Bart De Wever sprak in Terzake over de ‘pretpedagogie’: een startsein voor nog meer krasse uitspraken.

Grijzende, kalende mannen

Philip Brinkman vergeleek in De Tijd het onderwijs met ‘een kermis die rondjes draait om kinderen te amuseren.’ Jean-Marie Dedecker beweerde in Knack dat de lat zo laag gelegd werd ‘dat je al een limbodanser moet zijn om eronder te kruipen.’

Die oneliners kwamen overigens meestal van grijzende, kalende mannen en dat in een sector die voor de overgrote meerderheid uit vrouwen bestaat. En dat die mannen en het merendeel van de auteurs van die opiniestukken de afgelopen jaren geen voet meer in een klas hebben gezet, ook dat moeten we slikken. Want, iedereen denkt te weten hoe het onderwijs werkt, omdat zij toch ook een kind of een kleinkind hebben dat naar school gaat. Alsof het feit dat we elke dag een brood eten ons het recht geeft om ongenuanceerde uitspraken te doen over bakkers en hoe ze dat brood moeten maken.

‘Er zijn zoveel onderzoeken niet’

En natuurlijk zijn er onderzoeken. Onderzoeken over één aspect in ons onderwijs. Maar er zijn zoveel onderzoeken niet. Over zaken die effectief niet meetbaar zijn maar waar leerkrachten wel elke dag het verschil maken.

Tussen al die vaak ongenuanceerde uitspraken wordt gezegd dat wij, leerkrachten ons niet aangesproken moeten voelen. Maar laat ons duidelijk zijn: we houden blijkbaar ook niet meer van lezen. En wie de comments leest op de social media weet dat het wel degelijk aan ons ligt: we zijn een bende leeglopers. We staan, zo zei een lezer op De Standaard, ‘meestal stomdronken voor de klas’ en we moeten nauwelijks iets doen, ‘want we hebben toch zoveel vakantie’. En met al die ‘bagger’ die we over ons heen krijgen, verwachten diezelfde lezers, diezelfde politici en opinieschrijvers wel dat we hun kind het ‘beste onderwijs’ geven, laten ‘excelleren’ en met andere woorden het beste van onszelf geven.

Geroep en getier

Ik kan je één ding vertellen. Ik voorspel dat in september het aantal inschrijvingen in onze lerarenopleiding opnieuw zal dalen. Media en politici hebben wel degelijk boter op het hoofd, want met al hun geroep en getier vergeten ze dat er iemand moet zijn om kinderen en jongeren te onderwijzen. En steeds minder mensen voelen zich daartoe geroepen. En waarom hard werken als de maatschappij toch blijft neerkijken op hen die de toekomst van onze maatschappij mee moeten garanderen.

Ik stap er alvast een jaartje uit. Ik ga full time werken als zelfstandige, je weet wel de échte harde werkers.

Die van het onderwijs, ‘dat zijn alleen maar vakantiegangers.’ Aan alle leerkrachten: een fijne paasvakantie gewenst!

Hoe studenten en een klaproos een psychose konden voorkomen

Brenda is webredacteur van Psychosenet.be, lector aan de lerarenopleiding en auteur van de boeken ‘Kortsluiting in mijn hoofd’, ‘Uitgedokterd‘ en ‘Lena‘. Even leek Brenda de pedalen te verliezen, de angst om opnieuw psychotisch te worden was er. Maar een bende lieve studenten en één klaproos brachten daar verandering in.

Juni 2012. In de tuin staan de klaprozen volop in bloei. Al is tuin een groot woord voor de bergen zand die zich achteraan ons huis bevinden. Restanten van 2 jaar verbouwingen. Ik heb de klaprozen niet gezaaid. Ze kwamen, zomaar, eigenzinnig in de tuin staan. Ze leiden me even af. Even maar. Want het is druk. Een mama ben ik, van drie kindjes, al moeten die drie kindjes even ‘aan de kant’. Ik werk op een hogeschool. De eindsprint is ingezet. Er moeten studiegidsfiches nagekeken worden, taken verbeterd, stageverslagen geschreven worden. Mama heeft nu even geen tijd. Er is te veel te doen, te weinig tijd. Tijd is er wel ’s nachts. En dus steel ik de uren van de nacht. De vogels en het daglicht kondigen al vroeg de dag aan. Slapen doen we een ander keertje wel. Drie weken later word ik opgenomen met wat ze  een kraambedpsychose noemen.

De parallellen zijn er. Het kan geen toeval zijn.

Juni 2018. Ik werk opnieuw op een hogeschool. De eindsprint is ingezet. Kop in kas. De eindmeet van de vakantie is in zicht. Niet flauw doen, op je tanden bijten. Al drie dagen na elkaar sta ik om 5u op om het to do lijstje het hoofd te bieden. Het is moeilijk om de slaap nog te vinden. Tussen de to do’s door stuur ik een uitnodiging voor mijn verjaardag. 40 jaar. Dat moet bijzonder worden. Terwijl ik op mijn telefoon door mijn foto’s scroll, kom ik eentje van mijn verjaardag tegen,  6 jaar geleden. Ik draag exact hetzelfde jurkje als nu. Fleurige bloempjes, aangepast aan het warme weer dat er toen en ook nu is. Mijn adem stokt. De parallellen zijn er. Het kan geen toeval zijn. Alarmbelletjes gaan af.

Die nacht sta ik niet op om 5u. Ik doe een bodyscan. Ik denk aan mijn teen, mijn knie, mijn bovenbeen. Ik val opnieuw in slaap. Ik ben opgelucht als ik 2 uur later wakker word. Ik sta op, ik maak een lijstje van al mijn to do’s. Kan ik prioriteiten stellen? Dat kon ik 6 jaar geleden niet. Alle balletjes moesten toen in de lucht blijven, en liefst gooide ik er nog wat bij. Met nummertjes duid ik aan wat het belangrijkste is. Één van de laatste nummertjes is een belofte die ik aan mijn studenten gemaakt heb, dat ik hun lesvoorbereidingen, formatief, zou nakijken. Ik tel uit hoeveel nachten me dat nog zal kosten om dat waar te maken. Ik beslis een mailtje te schrijven. Geen makkelijk mailtje, maar eentje dat wel nodig is.

Ik verstuur het berichtje met een bang hartje.

Beste studenten

Zoals ik jullie vertelde tijdens een van de lessen ging ik 6 jaar geleden flink overkop.  Het resulteerde in het boek ‘Kortsluiting in mijn hoofd’. 

De afgelopen dagen ben ik elke dag om 5u opgestaan om te verbeteren, de ECTS fiches in orde te krijgen, een project af te krijgen. Tot ik vanmorgen tot het besef kwam dat er wel heel veel parallellen zijn met 6 jaar geleden, dat het niet meer normaal is om voor 60% job aan de hogeschool werkdagen van meer dan 15u te maken, 6 dagen op 7. Misschien herken je dat wel? Ik heb in ieder geval beslist dat ik niet opnieuw wil meemaken wat ik 6 jaar geleden heb meegemaakt. En daarom vraag ik even om jullie begrip. Om mezelf in bescherming te nemen laat ik het formatief verbeteren van de tijdig doorgestuurde lessen  zo. Ik vind het best moeilijk, maar ik laat mijn idealisme even varen. 

Ik verstuur het berichtje met een bang hartje. Onzeker voel ik me. Wat zullen de studenten zeggen, denken. Stel ik hen teleur?

Er waren parallellen, maar die zijn er nu niet meer.

De dagen erop krijg ik mailtjes die al mijn verwachtingen overtreffen. Mailtjes met een en al begrip, met complimentjes over mijn openheid. Niet alleen het wegvallen van de berg taken verlicht, de vele berichtjes geven me zoveel energie. Schatten zijn het, mijn studenten.

Het lijstje is intussen nog altijd lang. Maar de nachten zijn er weer om te slapen. Het is weer rustig in mijn hoofd en ik neem tijd voor de kinderen. Het zijn zaken die energie geven om later weer aan de slag te kunnen gaan. Er waren parallellen, maar die zijn er nu niet meer. Ik heb tijdig aan de rem getrokken. Ik ben niet over mijn grenzen gegaan.

De avond valt over de tuin. In verschillende perken heb ik in maart klaprozen gezaaid, mijn lievelingsbloem. Er is maar één klaproos uitgekomen, in de hoek van tuin. Dat kan geen toeval zijn. Een klaproos laat zich niet bevelen. Ze is eigenzinnig. Eén klaproos kan zo mooi zijn.

 

Dank je lieve studenten

Brenda

Deze blog verscheen eerder op Psychosenet.be 

Moedermelk met antipsychotica

Over waanzin, moederschap en moedermelk met antipsychotica. Een blog over borstvoeding in de internationale week van de borstvoeding.

Mijn laatste baby’tje. Mijn derde zoontje. Zen. Het voelde een beetje als afscheid nemen, en dus nam ik me voor, toen hij geboren werd, dat Zen zo lang hij wilde borstvoeding zou krijgen. Ook mijn andere twee zoontjes hadden bijna een jaar de borst gekregen, maar nu wilde ik er nog intenser, nog langer van genieten. Want dat kon ik, ervan genieten.

Mijn identiteit als ‘jongensmama’

De zorgen die ik bij Jip en Lom had gehad – zou hij wel genoeg bijkomen, genoeg drinken? Lag hij wel goed aan? Zou ik geen tepelkloven krijgen? Waarom deed dit in hemelsnaam bij aanvang zoveel pijn? – waren weg. Borstvoeding kunnen geven was voor mij heel bijzonder. Niet omdat het volgens sommige boekjes ‘beter’ was – hoeveel druk kan je op een jonge moeder leggen? – maar omdat het me hielp bij mijn ‘identiteit’ als mama waar ik soms mee worstelde.

Borstvoeding, iets unieks

Toen Zen geboren werd, een derde zoontje, moest ik even slikken. Een derde zoon, geen dochter om samen mee met de barbies te spelen, om samen mee te winkelen of God weet wat moeders en dochters nog samen doen. Ik zou het nooit weten. Ik zou een jongensmama zijn van zonen die, daar was ik zo bang voor, vooral zouden opkijken naar papa. Want mijn man is een echte papa om naar op te kijken. Niet alleen is hij zorgend, hij doet ook alles waar jongetjes van zwijmelen. Hij rijdt op een stoere mountainbike, hij knutselt aan motors, hij leest autoboekjes. Híj zou het rolmodel zijn, niet ik. Wie zou ik dan moeten zijn? Ik wist niets van jongenszaken, ik kwam uit een meisjesgezin. Hoe zou ik me als mama kunnen onderscheiden? De borstvoeding gaf me een heel bijzonder plekje, iets unieks wat niemand anders kon. Ik alleen kon mijn zoontje melk geven, ik kon hem troosten zoals niemand anders. Die uniciteit had ik nodig om me zelf als jongensmama te aanvaarden.

Moedermelk met antipsychotica

Toen ik 3 maanden later, met een acute kraambedpsychose op spoed werd opgenomen, toen de verpleegster me wilde ‘verdoven’, heb ik gevochten voor die borstvoeding, waar ik maar vooral Zen recht op had. Ik heb gebeten, gekrabd, gespuugd, maar de strijd verloren. Zen kreeg zijn eerste flesje melk, koud, in de wachtkamer van de spoedafdeling. Ik was er niet bij. Enkele uren later lag ik in de isoleerkamer, vastgebonden met leren riemen. De stuwing in mijn borsten was bijna ondraaglijk. Ik kolfde af in de bedpan. Ik smeekte de verpleegster mijn kostbare melk bij te houden. Ze gooide het voor m’n ogen in het toilet. Tijdens een gesprek met de psychiater huilde ik, om het verlies van mijn borstvoeding, om mijn Zen. Ze suste: hij had immers al drie maanden borstvoeding gekregen, dat was toch genoeg. Was het niet aan mij om daarover te beslissen, of het ‘genoeg’ was, begreep dan niemand hoe belangrijk het voor me was. Ook na de korte opname van een week bleef ik thuis afkolven, omdat ik me er niet mee kon verzoenen. De melk kon ik niet weggooien – ik had er zo hard voor gewerkt –  maar ik kon ze ook niet bijhouden voor Zen. Moedermelk met antipsychotica.

Het definitieve einde

Toen Zen een maand nadat hij zijn eerste flesje gekregen had, onverwacht weer van de borst dronk, besloot ik te stoppen met de medicijnen. Van de ene dag op de andere. Dan nog zou ik 3 weken moeten wachten voor ik misschien opnieuw borstvoeding kon geven. ‘Medicatieontrouw’ noemde ze het. Niemand luisterde naar de echte beweegredenen erachter. Drie weken later, acuut psychotisch, nog meer medicijnen, het definitieve einde van de borstvoeding.

De ‘betere’ mama

Het is internationale week van de borstvoeding. Ik heb ze zien voorbijkomen, de intieme foto’s van mama’s die de borst geven. Vertederende plaatjes van baby’tjes die drinken. Plaatjes die me aan het huilen maken, die een verdriet aanspreken dat ik het zwijgen heb opgelegd – ‘hij had toch al drie maanden gehad’. Plaatjes die me ook boos maken, want ik vind ‘borstvoeding’ heel bijzonder en het is heel fijn als het goed loopt, als het allemaal vanzelf gaat. Maar soms gaat het niet vanzelf, kindjes worden te vroeg geboren, een baby’tje lijkt maar niet bij te komen, de ene borstontsteking volgt na de andere, gebroken nachten eisen een te hoge tol. Ik word boos van mama’s die zichzelf uitroepen tot ‘betere’ mama omdat zíj borstvoeding geven, omdat zíj doen wat het beste voor hun kind is.

De psychologische impact van borstvoeding

‘Borstvoeding’ is een emotioneel beladen thema. Het is niet louter een kwestie van voeding. De psychologisch impact van borstvoeding of het niet kunnen of willen geven van borstvoeding krijgt nauwelijks aandacht. Uit mijn verhaal leer ik dat elke mama zélf moet kiezen wat best is voor háár. Want een ‘goede’ mama is een mama die goed voor zichzelf zorgt, die zich goed voelt, bij wat ze doet en de keuzes die ze maakt,  die zelf haar weg zoekt en vindt en zo, al dan niet met borstvoeding, de beste mama is voor haar baby’tje.

Deze blog is speciaal voor Zen, mijn zesjarig kereltje, dat zelden ziek is, met wie ik zo een bijzonder band heb! En voor Rex … onze nog steeds energieke en gezonde hond. Het doet wat met zo een beest, een kuurtje ‘moedermelk met antipsychotica’.