Over het kopje thee dat koud werd

Mijn eerste blog, verschenen op 22 september 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft.

Juni 2012. Het was koud in de isoleerkamer. En stil, ijzig stil. Enkele uren voordien was ik nog omringd geweest door het vrolijke geschater van mijn twee oudste zoontjes, had ik Zen, mijn baby’tje van net drie maanden oud nog aan de borst gelegd. En nu was er niemand meer, niets. Ik riep, dat ik eruit wilde, dat ik mijn kinderen wilde zien. Mijn stem echode tegen de grijze, kale muren. Ik rukte aan de leren riemen die me vastgebonden hielden op het bed. Niemand kwam. Op de grond lagen witte vellen papier en een potlood. Ik kon er net bij. In de linkerbovenhoek schreef ik mijn eerste woorden. Woorden van verontwaardiging, van onbegrip. De eerste woorden van mijn boek.

Gedurende de hele periode van mijn ziekte ben ik blijven schrijven. Om de chaos in mijn hoofd te ordenen, om dat wat ik meegemaakt had een plaats te geven. In een dagboekje met handgeschept papier en een leren kaft schreef ik alles neer. Waanzin. Onzin. Zin en zinnen. Bladzijden vol. Toen ik voor een tweede keer werd opgenomen en opnieuw in de isoleercel belandde, kreeg ik geen papier meer. Ik voelde me verloren, alsof ze mijn enige steun en toeverlaat afnamen en dus schreef ik op de muren. De kracht van het woord. Taal als compagnon.

Maar uiteindelijk liet ook de taal me in de steek. Toen na maanden van psychose en manie een depressie kwam, kreeg ik geen letter meer op papier. De bladzijden bleven leeg. Mijn pen lag onaangeroerd op mijn bureau. Ik zweeg, drie maanden lang, de donkerste maanden van het jaar. Ik wachtte. Tijd heelt alle wonden. Met de lente kwamen ook de eerste woorden terug, als aarzelende krokusjes onder een smeltend sneeuwtapijt. Krokussen werden klaprozen. Lente werd zomer. De draak in mijn hoofd was verslagen, de strijd was gestreden, het dagboek was vol.

Met mijn schrijfsels kwam ik terecht bij Kristien Hemmerechts. Als meter van Te Gek?! was ze geïnteresseerd in wat ik neergepend had. ‘Om er een boek van te maken was er nog een lange weg te gaan’, vertelde ze me. ‘Te emotioneel, te beladen. Onleesbaar voor een buitenstaander.’ Ik schreef en herschreef. Kristien schrapte en stuurde bij tot ik de juiste toon gevonden had en ik alleen op weg kon. Van september tot maart, elke avond na het werk, als de kinderen naar bed waren, kroop ik achter mijn computer. Met een kopje thee dat vaak koud werd, mijn leren boekje, de verslagen van de psychiatrie en dagboekfragmenten van mijn zus  en man ging ik aan de slag. Ik puzzelde, knipte, plakte, typte, deletete, maar vooral: ik genoot. Had ik als achtjarig meisje niet gezegd dat ik schrijfster wilde worden? Ik werkte aan een droom.

En mijn droom werd werkelijkheid toen ik in april bericht kreeg van de uitgeverij dat ze de vrouw achter het boek wilde leren kennen. Het werd een aftastend gesprek. Of ik voldoende hersteld was om een dergelijk boek uit te brengen, vroeg uitgeefster Sofie me. Een doordachte vraag, vond ik, maar ik aarzelde niet. ‘Ik voel me sterker dan ooit.’ En dus gingen we opnieuw aan de slag. Schrappen, bijsturen, herschrijven, discussiëren over een gepaste titel, op zoek gaan naar een beeld voor op de cover, de achterflaptekst bedenken, samenzitten met marketing om het boek te promoten. Er kwam heel wat bij kijken, maar ik vond het heerlijk.

Intussen is het boek helemaal klaar. Nog enkele typfouten zijn verbeterd, de laatste komma’s zijn gezet. En nu is het wachten, aftellen, tot 29 september. Dan is het er, eindelijk. Mijn compagnon, mijn steun en toeverlaat, mijn droom op papier. Dan ga ik naar de boekhandel. Dan koop ik mijn eigen boek en ga ik de verkoper trots vertellen dat ík dat boek geschreven heb. Dan zet ik me in de zetel, en lees ik mijn eigen boek. Met een kopje thee naast me dat wellicht koud zal worden.

Brenda