De mensen achter de cijfers

 pexels-photo.jpg
Ik hou van de Nederlanders. Ik hou van hun openheid, hun directheid, hun enthousiasme en ondernemingszin. Ik hou van de ramen zonder gordijnen, de zigzaggende fietsers en hun zelfzekere uitspraken waar ik als bescheiden Belg altijd wat om moet lachen. Op een manier voel ik me vaak zelfs een beetje meer met hen verbonden.
Ik ben ook voorstander van een directe aanpak, van de zaken op tafel te gooien en in debat gaan

Een kwaliteit die me tijdens mijn opnames in de Vlaamse psychiatrische centra niet altijd in dank werd afgenomen. Een Nederlandse vriend noemde me onlangs nog: een Nederlandse in een Vlaams lichaam. Daar moest ik om lachen.

Ik heb ook altijd opgekeken naar Nederland, en vooral ook naar hun geestelijke gezondheidszorg. Er lijkt een ongeziene wind te waaien aangestuurd door ‘De Nieuwe GGZ’ – beweging, daar waar ik de indruk heb dat er in België maar een briesje is.
Als ik mijn verhaal kom vertellen in Nederland, over mijn ervaring met de separeercellen, over de fixatie, de dwangmedicatie, ondervind ik steeds een grote verontwaardiging bij het publiek en een bevestiging van wat ik soms denk: ‘Dat België zeker 10 jaar achter staat op Nederland wat GGZ betreft.

Een ervaringsdeskundige hulpverlener verzekerde me onlangs nog ‘dat fixatie al lang niet meer in Nederland wordt toegepast, dat het aantal separaties de afgelopen 10 jaar is gehalveerd.’ En dan zucht ik wat verlangend: daar kan ik alleen maar van dromen.

En toen was er Anne. Ik ontmoette haar in Utrecht tijdens een lezing die ik bijwoonde. Ze had mijn boek gelezen, zei ze. Ze had het ook meegemaakt, die isoleercellen, zei ze. Ik luisterde naar haar verhaal. Hoe ze, amper vijf jaar geleden negen maanden lang opgesloten zat in de isoleercel, waarvan één maand (!) vastgebonden.

Een jaar later zat ze tien weken opgesloten, tijdens de volgende opname zes weken en amper twee weken geleden nog tien volle dagen

Ze vertelde hoe ze in haar armen sneed als een roep om aandacht, opdat er naar haar geluisterd zou worden. Ze dreigde er soms mee bij de hulpverleners. ‘Als je het doet, snijdt dan niet te diep zodat we niet weer met je naar de spoedafdeling moeten gaan.
En dan sneed ze nog harder, dieper, repen vlees van haar onderarm. Ze stroopte haar mouwen op, toonde me de open wonden, bebloed nog.

Na de lezing zou ze terug moeten gaan, naar de instelling. Ze vertelde me dat ze zo graag een eigen huisje zou willen hebben en een hond, en vooral ook mensen rond haar die ze zelf kan kiezen. Niet hulpverleners of andere patiënten met wie ze niet altijd voeling heeft.
Ze was zo eenzaam, vertelde ze me.

Die avond, op mijn Air bnb kamertje in Utrecht denk ik na over Anne.

Annes verhaal toont inderdaad aan dat er ‘minder lang’ gesepareerd wordt. Van negen maanden naar tien dagen in vijf jaar tijd. Bravo

Het is inderdaad knap dat het aantal separaties gehalveerd is. Vijftig procent, dat is een mooi percentage. Maar uiteindelijk zijn het de absolute cijfers die tellen, want achter die absolute cijfers zitten echte mensen. Mensen zoals Anne en ik. En dan komt het besef  dat er misschien nog wel meer Brenda’s en Annes zijn in Nederland dan in België, gezien het aantal inwoners, gezien het feit dat Nederland jaren koploper is geweest op het vlak van separaties.

Het besef komt dat het misschien helemaal niet zo goed gaat met de GGZ in Nederland, als ik denk. Ik blijk me gewoon altijd in middens te begeven in Nederland waar er hulpverleners zijn die er net zoals ik over denken, maar er is nog zo een grote groep die helemaal niet mee is met die ‘nieuwe GGZ’, die gewoon haar ding blijft doen.

Zo veel verschil is er niet tussen België en Nederland, hoor Brenda,’ zei Philippe Delespaul me enkele maanden geleden nog, toen ik weer vol bewondering naar de bevlogen Nederlandse sprekers op een Belgisch congres luisterde, ‘ze kunnen het gewoon beter verkopen, dat wel’.

En dus lig ik in mijn kamertje, in een bed, in een stad, ver van huis. En ik huil, om Anne, om ‘mijn Nederland’, als een kind dat net gehoord heeft dat Sinterklaas niet bestaat

Ik huil om helden en voetstukken die er niet blijken te zijn. Ik draai me om, veeg de tranen weg en trek de deken wat meer over mijn hoofd.
Op straat hoor ik een man roepen: ‘Doei, tot morgen,’ daar waar wij Belgen ‘Salut’ zouden zeggen. Ik glimlach. We zijn anders, maar eigenlijk ook niet. We voeren dezelfde strijd. Niet om goede cijfers te kunnen voorleggen, maar om echte mensen te kunnen helpen. De Annes van Nederland, de Brenda’s van België. Ervaringsdeskundigen, familieleden, hulpverleners, Belgen, Nederlanders, gewone mensen, iedereen samen.

Op een heldhaftige manier. Dat wel.

 Blog verschenen op Psychosenet.nl op 10 april 2016 https://www.psychosenet.nl/mensen-achter-cijfers/

‘Onmacht is geen misdaad’

Het doek is gevallen over de zaak Jonathan Jacob. Voorlopig althans. Hoofdgeneesheer en toenmalig directeur van het psychiatrisch ziekenhuis in Boechout werden veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met uitstel. ‘Ik ben niet alleen teleurgesteld voor mezelf, maar ook voor de mensen in de sector.’ zegt psychiater Geert Dom. Op de trappen van het gerechtsgebouw staan tientallen werknemers van het psychiaters centrum. Op het papier dat ze vasthouden staat: ‘onmacht is geen misdaad.’

De psychiatrie wordt getekend door onmacht. ‘Onmacht’ is bestormd worden door hulpverleners die je vastbinden met leren riemen, die je alleen laten terwijl de demonen door je hoofd razen. ‘Onmacht’ is roepen tegen de kale muren, niet weten wanneer je eruit mag, wachten tot iemand met je wil praten. ‘Onmacht’ is medicatie onder dwang ingespoten krijgen, gesedeerd worden, tot 12 pillen per dag moeten slikken. ‘Onmacht’ is opgesloten worden in een chemische dwangbuis waarin je niet kan ontsnappen aan de bewegingsonrust, de hartkloppingen, de spastische neigingen, het overgewicht, en de vele andere bijwerkingen.

‘Onmacht’ is kloppen op de verplegingskamer omdat je nood hebt aan een gesprek en weggewimpeld worden omdat het niet past

‘Onmacht’ is je familie niet mogen zien omdat je moet rusten. ‘Onmacht’ is het licht dat ‘s nachts in je ogen schijnt om te controleren of je er nog wel bent. ‘Onmacht’ is geen toestemming krijgen om naar huis te gaan, zelfs niet voor een familiefeestje. ‘Onmacht’ is je vinger opsteken bij de dagopening en voor de derde keer die week horen dat de psychiater geen tijd heeft om je te zien. ‘Onmacht’ is kloppen op de verplegingskamer omdat je nood hebt aan een gesprek en weggewimpeld worden omdat het niet past.

‘Onmacht’ is ontslagen worden zonder nazorg, zonder handvaten voor de familie, met medicatie als enige houvast. ‘Onmacht’ is niet terecht kunnen bij het lokale centrum voor geestelijke gezondheidszorg omdat de wachtlijsten zo lang zijn. ‘Onmacht’ is de psycholoog of therapeut niet kunnen betalen, en nog meer wel terugbetaalde medicijnen slikken. ‘Onmacht’ is niet openlijk kunnen spreken over wat je hebt omdat de maatschappij je een ‘loser’ of ‘zwakkeling’ vindt.

‘Onmacht’ is weten dat slechts 6 procent van het budget gezondheidszorg naar geestelijke gezondheidszorg gaat en dat terwijl 1 op 4 Belgen psychische problemen heeft

‘Onmacht’ is weten dat slechts 6 procent van het budget gezondheidszorg naar geestelijke gezondheidszorg gaat en dat terwijl 1 op de 4 Belgen psychische problemen heeft. ‘Onmacht’ is grote toename van steeds meer gedwongen opnames, niet omdat er zoveel meer gevaar is, maar omdat de maatschappij steeds banger wordt.

‘Onmacht’ is kritiek leveren, roepen dat het zo niet meer kan, aankloppen bij de pers, bij de advocaten maar niet ernstig genomen worden omdat je een psychiatrisch verleden hebt. Onmacht is weten dat er velen, ook hulpverleners, zijn die het anders willen, en dat die verandering ook op til is, maar het geduld niet meer hebben om te wachten omdat er elke dag opnieuw mensen met een psychische kwetsbaarheid niet behandeld worden of niet op de – voor hen – juiste manier geholpen worden.

Dat is onze onmacht. Onze dagelijkse onmacht. En nu we allemaal genoeg geroepen hebben dat we allemaal onmachtig zijn, dat we allemaal slachtoffer zijn van het systeem, zullen we dan eindelijk aan de tafel gaan zitten, erover praten én er iets aan doen? Anders is er geen sprake van onmacht, maar van onwil en misschien is dat wél een misdaad.

Zaak Jonathan Jacob: ‘De isoleercel is een relikwie uit ver vervlogen tijden’

‘De isoleerkamer is geen behandeling van de angst van de patiënt, het is de behandeling van de angst van de hulpverlener’, schrijft Brenda Froyen, woordvoerder van de patiëntenvereniging VZW Uilenspiegel. ‘En de hulpverleners botsen vandaag op de grenzen van het systeem.’

Zaak Jonathan Jacob: 'De isoleercel is een relikwie uit ver vervlogen tijden'

© Belga Image

Op donderdag 25 februari valt de uitspraak rond het al dan niet schuldig verzuim van de hoofdgeneesheer en directeur van de broeders Alexianen rond de zaak van Jonathan Jacob. Een intussen erg symbolische zaak waar heel wat partijen bij betrokken zijn. Woensdag 3 februari schreven de werknemers van het psychiatrisch centrum nog een open brief waarin ze hun steun betuigden aan de twee gedaagden en ook aangaven ‘diep getroffen en gekwetst te zijn. We zijn verontwaardigd over de manier waarop onze hulpverlening is voorgesteld.’

Het is waar dat de psychiatrie te kampen heeft met een slecht imago en dat terwijl er zoveel fantastische hulpverleners zijn die elke dag weer het verschil kunnen maken voor kwetsbare mensen. In naam van heel wat patiënten zijn we de hulpverleners erg erkentelijk voor de zorgen die ze ons bieden. In de zaak-Jacob botsten ze echter op de grenzen van hun capaciteiten, op de grenzen van een systeem. Misschien moeten niet de behandelaars terecht staan dan wel het systeem?

 Zaak Jonathan Jacob: ‘De isoleercel is een relikwie uit ver vervlogen tijden’

Jonathan Jacob werd heel agressief toen men hem in de isoleercel wilde opsluiten. Jonathan verzette zich toen hij ‘op bevel van hogerhand’ verdoofd moest worden. Vraag is of deze vorm van ‘behandeling’ waarbij patiënten geïsoleerd en platgespoten worden dan wel de juiste is. Jonathan gaf aan dat hij dit soort behandeling niet wilde, het boezemde hem angst in. Zijn angst tegenover die van de hulpverlener. De isoleerkamer is geen behandeling van de angst van de patiënt, het is de behandeling van de angst van de hulpverlener. Als de patiënt niet akkoord gaat met die behandeling, is híj onbehandelbaar en kan hij vervolgens niet overmeesterd worden, dan wordt hij met andere woorden weggestuurd.

‘Het aantal patiënten dat van eenzame opsluiting beter is geworden, is op één hand te tellen. Er is tot op heden geen enkel wetenschappelijk bewijs dat het isoleren van patiënten een helende werking heeft.’

De isoleercel is een relikwie uit ver vervlogen tijden, onderdeel van een onveranderlijk systeem. Het wordt door zovele lotgenoten als traumatisch ervaren. Velen van hen zijn, net als ik, nog lang in behandeling voor deze behandeling. Zelfs hulpverleners geven aan dat dit een enorme impact op hen heeft. En toch wordt er aan vastgehouden. Het zijn de protocollen, dat is het systeem. ‘We kunnen niet anders, het is voor je eigen goed.’ Vanuit de beste bedoelingen, vanuit trouw aan een systeem werden in het verleden de grootste fouten gemaakt. Het aantal patiënten dat van eenzame opsluiting beter is geworden, is op één hand te tellen. Er is tot op heden geen enkel wetenschappelijk bewijs dat het isoleren van patiënten een helende werking heeft. En er zijn alternatieven.

Jonathan heeft zich verzet tegen een zinloze behandeling, net zoals zovelen van ons zich verzet hebben. Onze patiëntenrechten werden geschonden. We hebben gekrabd, gebeten, geschopt. We hebben klacht ingediend bij ombudsdiensten, bij ethici, bij de beste advocaten van ons land. Het is een gevecht tegen een systeem, zei advocateChristine Mussche, dat kan je niet winnen. Jonathans zaak is onze zaak.

Culpabilisering van het slachtoffer

Hulpverleners zijn gekwetst over de manier waarop ze in de media worden afgeschilderd. Om zich vrij te pleiten, stellen ze op hun beurt Jonathan voor als het monster, ‘nooit eerder gezien in hun carrière’. Zij tegen wij. Victim blaming, de culpabilisering van het slachtoffer. Door Jonathans onhandelbaar gedrag is het zo afgelopen. Pas als hij rustig is, behandelen we hem. Pas als hij geen symptomen vertoont, behandelen we zijn ziekte. Door het nemen van amfetamines is het zo gelopen. Voortaan behandelen we geen longkanker meer voor wie rookte, behandelen we geen kanker meer voor wie niet gezond genoeg at. Voortaan behandelen we geen hartaanvallen meer als het te ernstig is. Voortaan zoeken we niet naar andere oplossingen als de patiënt aangeeft dat dit niet voor hem helpt.

‘Maar als het systeem faalt, en niemand pakt het aan of stelt het in vraag, is dit dan ook geen ook schuldig verzuim?’

Heel wat psychiatrische hulpverleners geven elke dag weer het beste van zichzelf, vanuit de beste bedoelingen, in een keurslijf van regels, protocollen en systemen. Maar als het systeem faalt, en niemand pakt het aan of stelt het in vraag, is dit dan ook geen ook schuldig verzuim? Als het systeem faalt, moeten dan ook niet de instandhouders ervan terechtstaan? Er is gefaald. Er zijn fouten gemaakt. Uit fouten kunnen we leren. Zodat patiënten in de toekomst beter geholpen kunnen worden. Dat zijn we aan Jonathan verschuldigd én aan ieder van ons.

Brenda Froyen

Woordvoerder patiëntenvereniging vzw UilenSpiegel

Auteur van het boek ‘Kortsluiting in mijn hoofd. Over het beest dat psychose heet.’

Verschenen in de Knack op 24/02/2016

http://www.knack.be/nieuws/belgie/zaak-jonathan-jacob-de-isoleercel-is-een-relikwie-uit-ver-vervlogen-tijden/article-normal-669639.html

Beste wensen van een psychiatrisch patiënt

0036De beste wensen voor 2016 en bovenal een goede gezondheid. Dat wens ik u. Maar wie ben ik. Ik ben niemand. Ik was niemand. Ik was psychiatrisch patiënt. Ik ben drie keer opgenomen in het ‘zottenkot’, met een psychose. Mijn vonnis: ongeneeslijk ziek, levenslange medicatie, weinig kans nog op een job.  Van het ene moment op het andere veranderde ik van een iemand, met een succesvolle job op de hogeschool, met drie prachtige zonen, met een liefdevolle man naar een niemand. Ik was een gek, een zwakkeling, geen meerwaarde meer voor de maatschappij. Maar ik vocht terug. Ik schreef een boek over mijn waanzin, over mijn behandeling. Ik werd niet alleen weer een iemand, ik werd iedereen, of althans een kwart van iedereen. Want een op vier Belgen krijgt te maken met psychische problemen.

‘In België mag je overal ziek zijn, maar niet in je hoofd.’

Als ik u een goede gezondheid wens, dan bedoel ik dus vooral een geestelijk goede gezondheid, want in België mag je overal ziek zijn, maar niet in je hoofd. In dat geval mag je wel rekenen op medicatie, veel medicatie zelfs. België is een van de koplopers in Europa wat het gebruik van antidepressiva betreft. Daarnaast houdt het ook niet op met 1 pilletje, een antidepressivum, een slaapmiddel, een kalmeringsmiddel, een stemmingsstabilisator, en nog wat andere medicatie mocht u bijwerkingen hebben. Deze worden vanzelfsprekend terugbetaald. Een flinke kost voor de burger. Heeft de patiënt meer nood aan een luisterend oor, dan is hij er nog even aan voor de moeite.  Laurette Onckelinckx sprak in 2013 al over een terugbetaling van de psychologen, Maggie De Block herhaalde die belofte in maart 2015. We wachten geduldig.

Dat doen we overigens al wel vaker. We wachten op een afspraak bij de psychiater, we wachten op een afspraak in het centrum voor geestelijke gezondheidszorg, we wachten op een plekje in het psychiatrisch ziekenhuis. Het probleem van de wachtlijsten is al een hele tijd een probleem. In die tussentijd slikken we pillen. Sommige van ons zijn toch bereid 50 euro per week uit eigen zak te betalen. Anderen zoeken omwille van de kosten geen hulp.

En het financiële plaatje is nog ruimer dan dat. Ziekteverzekeringen en hospitalisatieverzekeringen betalen opnames in een psychiatrisch ziekenhuis maar in beperkte mate terug. Een reden om je niet te laten opnemen. Word je gedwongen opgenomen zoals in mijn geval, hou je aan zo’n collocatie een fikse financiële kater over, wat het herstel op zijn beurt op zijn minst bevordert.

‘We wachten geduldig tot er iets aan gedaan wordt.’

Deze vorm van discriminatie beperkt zich overigens niet alleen tot ziekteverzekeringen. Ook schuldsaldoverzekeringen, levensverzekeringen en ook reisverzekeringen houden hun handen liever af van ‘psychiatrische patiënten.’ Rodeneuzendagsponsor Belfius die de verzekering op ‘gewaarborgd inkomen’ weigerde van een ex-psychiatrisch patiënte is geen uitzondering. Elke dag worden mensen met een psychische aandoening gediscrimineerd. We wachten geduldig tot er iets aan gedaan wordt.

Zoveel wachten. Waarom wachten? Waarom geen actie, geen grootse betogingen, geen uitgebreide artikels in de pers? Omdat we niemand zijn, en tegelijk iedereen. Niemand wil de stempel krijgen van psychiatrisch patiënt. Niemand wil een gek, een zwakkeling zijn. Het stigma verhindert ons om te spreken, snoert ons de mond. Elke dag krijg ik mailtjes van lotgenoten met de vraag of ik hen kan helpen. Ik wil niemand en iedereen laten horen. Dit is niet alleen mijn stem, dit is ook de stem van Marjan die geen enkele terugbetaling meer krijgt van haar opnames, dit is de stem van Nathalie wiens net meerderjarige dochter geen ziekte-uitkering noch werkloosheidsuitkering krijgt, dit is de stem van Peter die al 7 maanden wacht op een dagopname in de psychiatrie. Dit is de stem van de drie Vlamingen die elke dag uit het leven stappen.

Misschien moeten we niet langer wachten. Misschien moet er iets gedaan worden. Door de politici – maakt belofte geen schuld?, door de psychiaters die soms te veel pillen voorschrijven, door de verzekeraars, door een kwart van iedereen en iedereen. Zodat 2016 het jaar wordt waarin misschien niet iedereen gezond bleef, maar tenminste wel de zorgen kreeg om het weer te worden.

Brenda Froyen

Auteur ‘Kortsluiting in mijn hoofd’, leerkracht Nederlands – Engels

Verschenen op de website ‘De wereld morgen’.

http://community.dewereldmorgen.be/brenda-froyen-2

 

 

 

Beste mevrouw De Block, ik was zo’n langdurig zieke

2Maggie De Block. ©BELGA

Beste mevrouw de Minister, beste dokter De Block,

Hoe gaat het met u? Toch niet ziek, hoop ik, of langdurig ziek. Mocht dat zo zijn, dokter, dan gaat het niet goed met u. Niet alleen omdat u te kampen heeft met uw gezondheid, ook uw financiële situatie is penibel. Met uw voorstel om de uitkering van langdurig zieken die werk weigeren met 10 procent te verminderen, raakt u heel wat patiënten. Ik ben een van hen. Drie jaar geleden kreeg ik een kraambedpsychose. Het was een lange zoektocht naar de juiste hulp. Een psychische ziekte los je niet meteen op met een pilletje, er is therapie voor nodig. Ook de zoektocht naar dat juiste pilletje is niet makkelijk. Een proces van trial-and-error, van hervallen, van bijwerkingen. Dat vraagt tijd. “Tijd is je bondgenoot”, zei een verpleegkundige tijdens mijn opname. Blijkbaar niet.

Een psychische ziekte los je niet meteen op met een pilletje, het is een proces van trial-and-error, van hervallen, van bijwerkingen. Dat vraagt tijd

Mijn ziekte is gepaard gegaan met hoge kosten. Het ziekenhuisverblijf is duur. Ziekenfondsen beperken de terugbetaling van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Veel lotgenoten zitten nog met een afbetaling voor hun opname, soms zelfs tot 2019. Deden ze een poging tot zelfdoding of hebben ze te kampen met een alcohol- of middelenverslaving, dan komen ziekteverzekeringen helemaal niet tussen. Overschakelen naar een andere, betere hospitalisatieverzekering is vaak geen optie. De voorwaarden voor mensen met een psychische kwetsbaarheid zijn vaak minder dan voor hen met een somatische (lichamelijke) aandoening.

Ik ben gedwongen opgenomen. Daar heb ik niet voor gekozen, noch was ik tevreden over de behandeling. Toch werden die kosten aangerekend. Maar gelukkig, dokter, kon ik het betalen – ik werkte als lector op een hogeschool, mijn man heeft een managersfunctie bij een bank. Toen ik thuiskwam, ging ik verder op zoek naar hulp. Zes maanden en een paar omwegen later kon ik bij een erkende psycholoog terecht.

We dienden een aanvraag in bij Familiehulp om ons bij te staan in de zorg van de drie kinderen. Op basis van ons loon zou een familiehelpster 20 euro per uur kosten, 400 euro per week. Zelfs wij konden dat met ons goed loon niet betalen. En dus ploeterden we voort.

Lotgenoten krijgen in hun zoektocht vaak het deksel op de neus. Het werkveld zit niet te wachten op psychiatrische patiënten

Maar ik heb geluk, dokter. Ik krabbelde overeind, ondanks de hoge rekeningen, ondanks de psychiatrische hulp die tekortschoot, ondanks de wachttijden. Een jaar, drie psychoses en een depressie later ging ik op zoek naar werk. Het gat in mijn cv verdoezelde ik. Ik loog op de sollicitatiegesprekken. Het werkveld zit niet te wachten op psychiatrische patiënten. Werkgevers zijn niet bereid inspanningen te doen om aangepast werk aan te bieden. Lotgenoten krijgen in hun zoektocht vaak het deksel op de neus, of door de hoge werkdruk hervallen ze.

En toch willen velen werken. Omdat zij precies die werkvoldoening zoeken. Omdat ze beter worden door zelf te helpen, niet door geholpen te worden. De meesten doen dat vrijwillig in de geestelijke gezondheidszorg zelf, als ervaringswerker, een job die in Nederland al meer dan tien jaar betaald wordt. Ik had geluk. Ik ben sinds 2013 terug aan het werk als leerkracht, halftijds weliswaar, wat ook zijn financiële gevolgen heeft.

Als zoveel mensen met een psychische aandoening in de armoede terecht komen, gestigmatiseerd en gediscrimineerd worden, misschien moet u daar dan iets aan doen

Maar wie ‘echt’ ziek is, zal geen vermindering van uitkering krijgen, toch? Er ligt veel verantwoordelijkheid bij de adviserende geneesheer. Is het niet aan de huisarts of psychiater, die een veel beter beeld heeft van de patiënt, om een uitspraak te doen? Want, dokter, iemand met een depressie ligt niet 24 op 24 met vet haar in bed. Mensen met een depressie zijn vechters. Soms hebben ze betere dagen, geen goede. Wie hen dan ziet, gaat in de aanval: “Ah, ze kunnen wel naar de sauna, maar werken, dat niet.” De maatschappij is veroordelend voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Dus wat als je de pech hebt om op een ‘betere’ dag naar de adviserende geneesheer te gaan? Meer nog dan bij somatische ziekten is er een totaalplaatje nodig.

En dus vraag ik u, beste Minister, beste dokter: hoe gaat het met u? Als we op vlak van zelfdoding nog altijd een van de koplopers zijn in Europa. Als zoveel mensen met een psychische aandoening in armoede terechtkomen. Als ze gestigmatiseerd worden en zelfs financieel gediscrimineerd worden. Misschien moet u iets doen om ons te helpen. U zult zich beter voelen. Ik geef u daar gerust wat tijd voor. Tijd is uw bondgenoot.

Met vriendelijke groet,

Brenda Froyen

Verschenen in De Morgen op 3 december 2015.

http://www.demorgen.be/opinie/beste-mevrouw-de-block-ik-was-zo-n-langdurig-zieke-b0d27fbb/

Het stigma voorbij

Blog verschenen op www.psychosenet.nl op 9 oktober 2015

Het is geweten. Er heerst een enorm stigma rond psychische ziekten. De laatste tijd is het tij gelukkig wat aan het keren. Meer en meer mensen komen er mee naar buiten dat ze een depressie of een burn-out gehad hebben. Een hele stap vooruit. Rond psychoses is het stigma echter nog heel groot. Dat heb ik zelf ondervonden toen ik na de geboorte van mijn derde zoontje psychotisch werd. 

Er zijn verschillende vormen van stigma

Er is het maatschappelijke stigma. De media zorgt er onder andere voor dat de psychoticus gezien wordt als een gevaarlijke gek, onberekenbaar, onbetrouwbaar. Hierdoor vind je als patiënt ook moeilijker de weg naar hulpverlening. Er is niemand om advies aan te vragen. Als je kanker hebt, kan je nog wel op je Facebook een oproepje plaatsen of iemand een goede oncoloog kent. Dat je nood hebt aan een psychiater omdat je je Jezus waant, gaan maar weinigen aan de grote klok hangen.

Daarnaast is er ook bij de hulpverlening zelf vaak een zeker stigma. In gedachten zag ik de psychiatrisch verpleegkundige al een tienrittenkaartje voor me opstellen. En ook de psychiater gaf me te kennen dat ik er rekening mee moest houden dat ik ‘ziek was voor het leven’ en dat een normale job wellicht niet meer aan me besteed was.

Het grootste stigma van allemaal is wellicht het zelfstigma

Aanvaarden dat ik ‘psychiatrisch patiënt’ was, dat mijn brein me in de steek had gelaten was mijn grootste uitdaging. Maar ik ging ze aan. Ik schreef een boek ‘Kortsluiting in mijn hoofd’ waarin ik probeerde de lezer duidelijk te maken wat zo’n psychose precies was. Tegelijkertijd wilde ik aantonen dat het iedereen kon overkomen. Gewone mensen, zoals ik, docent aan de hogeschool, mama van drie kinderen, volleybalspeelster.

Er zijn van het boek intussen bijna 4.000 exemplaren verkocht. Ik kwam op de Vlaamse radio, op de televisie. Ik geef wekelijks lezingen. Ik schrijf opiniestukken of blogs waar mogelijk.

Ik maak er geen geheim meer van

En ik merk dat mijn openheid niet alleen geapprecieerd wordt, maar ook vaak beantwoord wordt met gelijksoortige verhalen. Daarnaast bevordert het ook mijn eigen herstelproces. Ik ben met andere woorden, het stigma voorbij. Dacht ik.

Twee weken geleden. Mijn eerste dag van het nieuwe schooljaar voor een nieuwe klas. Elk jaar opnieuw vind ik dat best wel spannend. Elk jaar opnieuw beginnen met een schone lei. Twintig jongvolwassenen die bereid zijn Nederlandse les bij me te volgen, kijken me verwachtingsvol aan. Ik stel me kort even voor. Dat het mijn derde jaar is op deze school. Dat ik daarvoor op de hogeschool werkte. En dat ik een boek heb geschreven. Want daar ben ik natuurlijk apetrots op. Ze knikken.

Als ze even later zelfstandig een oefening aan het maken zijn, vraagt een van de jonge kerels me: ‘En waarover gaat uw boek dan, mevrouw?’ Ik aarzel. Ik voel hoe m’n tenen zich krullen in mijn schoenen. Ik vertel het mijn studenten altijd wel, ik besteed er zelf een les aan, maar bij voorkeur vertel ik het niet tijdens de eerste les.

Ik wil me liever eerst nog bewijzen

Hen tonen dat ik echt wel een goede leerkracht ben, voor ze misschien al een oordeel vellen. Het blijft stil aan mijn kant.
Waarover mevrouw?’ Een vragende open blik.
Euh, ik ben drie jaar geleden erg ziek geweest.’
Welke ziekte, mevrouw?’ Opnieuw aarzeling.
Een psychische ziekte,’ fluister ik hem toe. Ik kan me er nog niet toe brengen om te zeggen dat ik een psychose had.
Mijn vader heeft schizofrenie,’ antwoordt hij. ‘Daar hebben we thuis eigenlijk nooit moeilijk over gedaan. We praten erover. Het is geen taboe.’ Ik voel me op mijn plaats gezet. En terecht. De ambassadeur van de stigmadoorbreking. Toch laat ik het niet na om nog even te fluisteren. ‘Hou je het toch nog even voor jezelf, over een paar weekjes vertel ik het de anderen wel.

Dat stigma rond psychische ziektes? Ja hoor: het is er nog

Daarom werkte ik mee aan de campagne ‘Doe eens goed gek’ die half september van start ging in Vlaanderen. Daarom schreef ik een boek, geef ik lezingen. Maar het blijft een uitdaging. Elke dag weer. Ik neem me voor om bij het begin van mijn lessen al te zeggen waarover mijn boek gaat, dat ik psychisch ziek ben geweest. Goede voornemens. Voor volgend schooljaar. Als ik weer wat sterker in mijn schoenen sta.

 

Is er wel plaats voor mensen zoals Jonathan, zoals ik?

Panikeert niet elke mens als hij opgesloten wordt voor onbepaalde tijd?

In Antwerpen is het proces gestart over Jonathan Jacob, de jongeman die vijf jaar geleden, lijdend aan een psychose, stierf in een politiecel. Wellicht worden tijdens dat proces heel wat partijen gehoord. Jonathan zelf kan niet meer getuigen. De stem van de psychiatrische patiënt ontbreekt. Mag ik, als ervaringsdeskundige, dan even het woord?

In 2012 maakte ik na de geboorte van mijn derde zoontje een kraambedpsychose door, waarvoor ik in drie ziekenhuizen werd opgenomen. Toen ik eindelijk de moed had om naar de reportage van Panorama te kijken, was ik geschokt, maar het was ook herkenbaar. De reacties van de instanties die nu terechtstaan, zijn reacties waar ook ik mee te maken kreeg.

Op het proces zal de vraag gesteld worden wie schuld heeft aan de dood van Jonathan. Het ziekenhuis van de Broeders Alexianen weigerde hem tot twee keer toe. Hij zou agressief geweest zijn. De vraag is waar die agressie vandaan komt. Jonathan verzette zich blijkbaar vooral toen men hem naar de isoleercel wilde leiden. Panikeert niet elke mens als hij opgesloten wordt voor onbepaalde tijd? Dit afzonderen van psychotische patiënten is gebruikelijk.

Patiënten worden gezien als een potentieel gevaar en moeten dus overmeesterd worden

In de ziekenhuizen waar ik werd opgenomen, werd ik telkens naar de isoleercel gebracht. Ook in Boechout klopte ik net als Jonathan aan. Bij de opname was ik rustig – ik dacht in mijn psychose dat ik zou verlicht worden als een boeddha – en toch werd ik meteen opgesloten. Toen ik ‘s nachts plots besefte waar ik was, begon ik op de deuren van mijn cel te bonken, te roepen. “Ik wil naar huis!”, ik was er immers vrijwillig. Op dat moment stormden zes verpleegkundigen binnen. Ja, ook ik heb me verzet, ik heb gekrabd, gebeten, geschopt. Maar ik had het geluk dat ik een vrouw was, dat ik niet zo sterk was als Jonathan. Ik werd overmeesterd en vastgebonden met leren riemen.

Toch is de reactie van de verpleegkundigen begrijpelijk. “We weten niet wat we binnen krijgen”, verdedigde een van de hulpverleners zich. Patiënten met een psychose zijn onvoorspelbaar. Precies die onvoorspelbaarheid boezemt angst in. Ook bij de politie zagen we deze reactie. Patiënten worden gezien als een potentieel gevaar en moeten dus overmeesterd worden. Ik werd tijdens mijn gedwongen opname van de spoedafdeling naar de psychiatrie vervoerd met handboeien en een volgwagen van de politie. “Veiligheidsprocedure”, lichtte de agent mijn man toe toen hij protesteerde.

En wat kunnen we zeggen over de gerechtsarts die hier evenwel niet terechtstaat? Waarom moest Jonathan Jacob absoluut verdoofd worden? Een psychose is nog steeds niet volledig biologisch te verklaren en confronteert ons met een kant van het brein waar we geen vat op hebben. Dit onbekende moeten we meteen onderdrukken. Ook ik wilde de inspuitingen niet; ook bij mij oordeelde een gerechtsarts dat ik ze niet mocht weigeren, ondanks het feit dat het het einde van mijn borstvoeding voor mijn zoontje betekende. Met de riemen vastgebonden werd ik platgespoten. Patiëntenrechten van psychiatrische patiënten worden al te vaak geschonden. Jonathans agressie werd geïnterpreteerd als een uiting van zijn waanzin in plaats van een normale instinctieve reactie van een man die in het nauw gedreven werd.

Ja, velen onder ons wanen zich Jezus, maar dat maakt niet elk van ons tot een potentiële Charles Manson

Waar komt die diepgewortelde angst vandaan? Ligt de schuld niet deels ook bij de media, als zij psychiatrische patiënten afschilderen als gevaarlijke gekken? Wie aan een depressie lijdt, zou weleens een vliegtuig kunnen laten crashen. Wie psychotisch is, stapt misschien een crèche binnen en richt een bloedbad aan. Maar zovele psychotici, zoals ik, zijn heel vredelievend. We halen het nieuws niet. Ja, velen onder ons wanen zich Jezus, maar dat maakt niet elk van ons tot een potentiële Charles Manson. Mensen met een psychose hebben heel wat – te veel wellicht – ideeën. Velen van ons zijn vaak wereldverbeteraars.

Rest de vraag of niet elk van ons schuld treft in de zaak Jonathan Jacob. Hoeveel ruimte is er voor mensen die afwijken van de dunne lijn van normaliteit? Is er plaats voor mensen zoals Jonathan, zoals ik, die even verward zijn? Het stijgende aantal collocaties toont onze intolerantie aan. Het torenhoge stigma zorgt ervoor dat heel wat psychiatrische patiënten in een isolement geraken, geen hulp zoeken, geen uitweg zien. De hoge zelfdodingscijfers kunnen daarvoor een indicatie zijn.

Op de vraag wie schuldig is, kunnen we maar beter allemaal onze hand opsteken. U, maar ook ik. Tot voor 2012 was ik een doodnormale vrouw, docent op een hogeschool, getrouwd, mama van drie kindjes. Ik zou nooit psychisch ziek worden. Ik was sterk, dacht ik. Mijn verhaal toont aan dat het iedereen kan overkomen. Als het u overkomt, hoe zou u dan behandeld willen worden?

Het klopt. Jonathan Jacob had een psychose. Maar de angstpsychose van de hulpverleners, de politie, de gerechtsarts, de media en van onszelf is zoveel groter. Misschien is het tijd voor wat gesprekstherapie?

Verschenen in De Morgen op 22 mei 2015

http://www.demorgen.be/opinie/is-er-wel-plaats-voor-mensen-zoals-jonathan-zoals-ik-b37e91d5/

Na de winter komt de lente

Mijn vierde blog verschenen op 14 oktober 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt sinds 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft. Deze week deel 4, lees de vorige blogpost hier

Ik geloofde ze niet. De mensen die me vertelden dat ik eruit zou kruipen, dat het allemaal goed zou komen. In het diepst van mijn depressie zag ik het licht niet meer aan het einde van de tunnel. In het diepst van mijn depressie was alles zwart. Het heden, het verleden en vooral de toekomst. Had het nog zin dat ik er was? Hoe vaak heb ik in de keuken gestaan met een mes in mijn handen, klaar om mijn polsen over te snijden. Hoe vaak heb ik overwogen om de auto te nemen, naar het treinspoor te rijden en te springen. Nee, ik geloofde niet dat er ooit nog mooie dagen zouden komen.

Ik had ongelijk. Ze zijn gekomen, die mooie dagen. De laatste maanden zijn er zelfs zo veel. Dagen om te bewaren in een doosje. Maar de allermooiste was wel afgelopen woensdag. De dag van mijn boekpresentatie. Ik moest gelukkig geen les geven in de voormiddag en ook Jan had verlof genomen. De hele ochtend dartelde ik zenuwachtig door het huis. Ik veranderde driemaal van ondergoed, alsof iemand onder mijn jurk zou kijken. Ik douchte uitgebreid en zong daarbij het ene Whitney Houston nummer na het andere, en ik moest niet bang zijn dat ze me ervoor in de isoleercel zouden steken. Voor de spiegel van de badkamer, nog wat aangedampt van het warme water, oefende ik mijn speech.

De deurbel. Ik hoorde Jan opendoen. Een mannenstem. Jan die lachte. De deur van de woonkamer die werd geopend. Wat was Jan met de postbode van plan? Toen ik in de keuken kwam, zag ik pas de grote verrassing. Mijn schoonbroer, die in Noorwegen woont, was speciaal overgevlogen om erbij te kunnen zijn op mijn grote dag. We praatten, lachten, terwijl ik steels op mijn horloge keek.

Rond twaalf uur reden we naar het Dokter Guislain Museum in Gent. Voor de boekpresentatie zou ik eerst een overleg hebben met Zorgnet Vlaanderen, enkele andere ervaringsdeskundigen en de voorzitter van Broeders van Liefde. Daarom had ik mijn boek geschreven, om in dialoog te gaan, om te praten over hoe de geestelijke gezondheidszorg zou kunnen verbeteren. Het werd een constructief gesprek, met goede voornemens en bruine broodjes met kaas.

Om half drie was het dan zover. De officiële presentatie van mijn boek. Op de 120 stoelen zaten 120 mensen die naar mij kwamen luisteren. En ik speechte, zoals ik ook voor de spiegel had gedaan. Alleen met wat meer tranen, zeker toen mijn zus begon te huilen. Tranen van geluk, dat we er effectief uit zijn geklommen, dat het allemaal achter ons ligt.

En dan was het tijd voor een debat, met Mieke Craeymeersch, directeur van Similes en Professor Stijn Vanheule, waarin we praatten over de huidige psychiatrie, over wat er misgaat, over waar we naartoe willen. Er was inbreng van het publiek, van patiënten die openlijk over hun ziekte vertelden, van familieleden die hun kant van het verhaal lieten horen. Het was een namiddag van hoop, waarin het taboe werd doorbroken, en de psychiatrische patiënt een stem kreeg.

Na afloop werd er ook gedronken, er werd gelachen en er werd gesigneerd. Mensen in een rijtje die mijn naam wilden in hun boek. Heel bijzonder vond ik dat.Ik kijk stiekem al uit naar de boekenbeurs om daar opnieuw aan een tafeltje te zitten en in krulletters mijn naam te schrijven op het voorblad.

Ja, 8 oktober was een heel bijzondere dag. Zo’n mooie dag waarvan ik twee jaar geleden dacht dat ze nooit meer zouden komen. Thuisgekomen ben ik nog even naar boven gegaan. Ik heb mijn drie zonen een kusje gegeven, de dekens nog wat recht getrokken, door hun blonde haren gestreeld en in hun oren gefluisterd. Dat mama nooit weg zal gaan en er altijd voor hen zal zijn. Want alle clichés zijn waar. Na regen komt zonneschijn. Na de winter komt de lente.

Wat ben ik blij dat ik (nog) leef.

Brenda

De Nobelprijs voor de Literatuur

Mijn derde blog, verschenen op 7 oktober 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt sinds 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft. Deze week deel 3, lees de vorige blogpost hier

‘En? Hoe gaat het me je?’ Ik hoor de ongerustheid in mijn moeders stem aan de andere kant van de lijn. ‘Kan je het allemaal nog baas?’ Ze is soms nog bang, dat ik ooit weer zal hervallen, dat het me opnieuw zal overkomen, een psychose, een depressie. ‘Is het niet te druk, Brenda?’ vraagt ze me met wat meer nadruk. En ik moet toegeven dat het druk is, dat er de afgelopen weken heel wat op me is afgekomen. Bewogen dagen. Korte nachten. Zoals op 22 september toen ik voor de eerste keer mijn boek in handen kreeg. Ik heb eraan geroken, eraan gevoeld, ja zelfs de cover gezoend. Het was er echt, mijn boek, mijn kinderdroom.

Of de volgende dagen waarop ik naar verschillende boekhandels belde met vermomde stem: of ze het boek van Brenda Froyen toevallig hadden? En dan licht euforisch inhaakte wanneer ze me wisten te vertellen dat het inderdaad in de boekenrekken lag.

Of de dag na de aflevering van Koppen, toen ik overstelpt werd met reacties. Bemoedigende woorden, berichtjes die me vleugels gaven, maar ook kritiek vanuit de hulpverleningssector. Dat de reportage te eenzijdig was, dat de psychiatrie te zwart werd afgeschilderd.

Nu het boek er eenmaal is blijven de berichten komen. Mailtjes van lotgenoten die me gelijksoortige verhalen vertellen, familieleden die me om hulp vragen. Zo werd ik deze week gebeld door de zus van een vrouw die 9 maanden geleden bevallen is. Sinds de geboorte van haar baby is ze niet meer dezelfde. Ze is zichzelf volledig kwijt, zit in een zware depressie. Of het misschien mogelijk was – de vrouw aarzelde even – om haar zus te ontmoeten? Omdat ze wilde horen dat je eruit geraakt, omdat ze wilde zien dat je ervan kan herstellen. Zulke verhalen raken me. Want meer nog dan een aanklacht tegen de gangbare praktijken in de psychiatrie, wil ik dat mijn boek een verhaal van hoop is, dat ik andere mensen kan helpen. En dus stemde ik toe. We zien elkaar volgende week.

Of de dag dat ik van de uitgeefster te horen kreeg dat mijn boek in de top tien van Standaard Boekhandel stond. Dat was beslist een heel bijzonder moment. In mijn grootheidswaanzin, naast het feit dat ik me Jezus waande, dacht ik dat mijn boek, dat ik toen al aan het schrijven was, weken in de top tien zou staan, in verschillende talen vertaald zou worden en dat ik – wat is dit toch gênant – de Nobelprijs van de Literatuur zou winnen. Vreemd als plots een van je wanen werkelijkheid wordt.

Maar hoezeer ik ook blij ben dat mijn boek nu door heel wat mensen gelezen wordt, het maakt me ook soms onzeker. Want ik heb heel wat gekke dingen gedaan in mijn psychose – welke normale mens wil zijn eigen auto stelen? – en in mijn depressie op het punt gestaan om er een einde aan te maken. Zovele mensen weten dat nu, en lezen over mijn diepste verlangens, mijn donkerste gedachten. Daar mag ik soms niet te veel bij stilstaan.

Naast zoveel intense emoties is er ook zoveel te doen, thuis, op school, voor het boek. Het verbeterwerk dat zich opstapelt, de twee wasmanden die in de berging op me wachten, een interview hier en daar, een artikel dat ik nog moet schrijven voor een patiëntentijdschrift, de speech voor mijn boekpresentatie deze week en mijn drie kereltjes die de nodige aandacht vragen.

En dus geef ik toe: ‘Ja, mama, het is druk, maar ik geniet van alles wat op me af komt. Ik kan het echt wel aan.’ ‘Maar zorg er toch maar voor dat je genoeg slaapt’, mijn moeder klinkt alsof ze geen tegenspraak duldt. ‘Zal ik doen, mam’. Ze lijkt gerustgesteld, toch voor een paar dagen. Dan zal ze weer bellen, met dezelfde vragen, met dezelfde ongerustheid in haar stem. En dan zal ik haar opnieuw geruststellen. Omdat ik geloof dat ik niet meer zal hervallen, net zoals ik geloof dat ik niet de Nobelprijs van de Literatuur zal winnen. Jammer, dat wel.

Brenda

Met gekrulde tenen

Mijn tweede blog, verschenen op 30 september 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt sinds 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft. Deze week deel 2, lees de eerste blogpost hier

Ik had er stiekem op gehoopt, op wat media-aandacht. Een artikeltje ergens in een streekkrant, vlak voor de zoekertjes en de oproep voor oud ijzer. Of een vermelding van mijn boek in het infoblaadje van ons dorp, naast de kalender van de afvalophaling. Het is allemaal wat groter geworden dan dat.

Hoe het allemaal begon? Eigenlijk al in 2012, toen ik nog gecolloqueerd was. Ik was al 23 dagen opgesloten. Al 23 dagen werd mijn hele doen en laten bepaald door anderen. Ik ergerde me aan de zinloze therapieën, aan het zoveelste receptje van Jeroen Meus dat ik moest maken, aan de mandala’s en kleurpotloden die op de tafels lagen om de tijd te doden, aan de betuttelende opmerking van de nachtverpleging die zei dat ik nu toch echt wel moest gaan slapen. Ik beklaagde me bij de verpleging, bij de dokter, bij de ombudsdienst, dat ik niet tevreden was over mijn behandeling. Ik werd steevast weggestuurd met een kalmeringsmiddel. Ik was te druk, zeiden ze.

Als ze niet naar me wilden luisteren, zou ik ervoor zorgen dat ik op een andere manier gehoord werd. Die avond schreef ik een brief op mijn laptop naar De Standaard. Er was geen internet op de afdeling. Ik sloeg hem op op een usb-stick. De volgende morgen, op een onbewaakt moment, sloop ik de verplegingspost binnen. Haastig logde ik in op mijn mailaccount en verstuurde ik mijn brief naar een oude vriendin die bij De Standaard werkte. In de namiddag kreeg ik al een telefoontje van haar. Dat ze erg geraakt was door mijn verhaal, dat ze er zeker ruimte voor wilde maken, als de drukte rond de verkiezingen wat geluwd zou zijn. Tevreden haakte ik in. Vervolgens belde ik naar 1207 voor het nummer van de VRT. Ik werd verschillende keren doorverbonden, een wachtmuziekje met de ‘Lente’ van Vivaldi, verder doorverbonden, een wachtmuziekje met Ozark Henri. Uiteindelijk kwam ik terecht op de redactie van Koppen. Een researcher luisterde aandachtig naar mijn verhaal. Ik was blij om gehoord te worden.

Er is in 2012 geen artikel verschenen in De Standaard. Er kwam ook geen Koppen-reportage. Toen de psychiater een verzoek indiende om mijn collocatie met 3 maanden te verlengen kwam plots het besef, dat ze me zo lang als ze wilden in de psychiatrie konden houden, dat ik beter mijn mond hield, dat ík beter luisterde en knikte. Ik trok me terug op mijn kamer en schreef verder aan mijn boek.

Het idee is altijd blijven spelen, dat ik met mijn verhaal naar buiten zou komen. In augustus 2013 nam ik zelfs opnieuw contact op met de researcher van Koppen. Ze wist nog goed wie ik was. We spraken af in de binnentuin van het Guislain Museum waar we een hele namiddag praatten over mij, over de koude isoleercel, over de psychiatrie. En opnieuw waren ze geïnteresseerd om er een reportage van te maken, en opnieuw trok ik me terug. Ik was bang. Voor het stigma. Ik had nog geen nieuw werk gevonden. Een reportage zou mijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht verkleinen. Ik zweeg opnieuw en wachtte tot de tijd rijp was, tot ik de moed gevonden had.

Ik heb ze gevonden, al twijfel ik nog soms. Steeds opnieuw krullen mijn tenen als ik moet zeggen dat ik psychiatrisch patiënt ben geweest. Steeds opnieuw voel ik schroom, maar ik wil mijn verhaal vertellen.

Het langverwachte artikel in De Standaard is er gekomen. En ook Koppen maakte een mooie reportage van wat ons gezin is overkomen.

Ik heb lang gezwegen, geknikt, geslikt, gewacht. Nu is de tijd rijp. Ik word gehoord, al is het nog met gekrulde tenen.

Brenda