Is er wel plaats voor mensen zoals Jonathan, zoals ik?

Panikeert niet elke mens als hij opgesloten wordt voor onbepaalde tijd?

In Antwerpen is het proces gestart over Jonathan Jacob, de jongeman die vijf jaar geleden, lijdend aan een psychose, stierf in een politiecel. Wellicht worden tijdens dat proces heel wat partijen gehoord. Jonathan zelf kan niet meer getuigen. De stem van de psychiatrische patiënt ontbreekt. Mag ik, als ervaringsdeskundige, dan even het woord?

In 2012 maakte ik na de geboorte van mijn derde zoontje een kraambedpsychose door, waarvoor ik in drie ziekenhuizen werd opgenomen. Toen ik eindelijk de moed had om naar de reportage van Panorama te kijken, was ik geschokt, maar het was ook herkenbaar. De reacties van de instanties die nu terechtstaan, zijn reacties waar ook ik mee te maken kreeg.

Op het proces zal de vraag gesteld worden wie schuld heeft aan de dood van Jonathan. Het ziekenhuis van de Broeders Alexianen weigerde hem tot twee keer toe. Hij zou agressief geweest zijn. De vraag is waar die agressie vandaan komt. Jonathan verzette zich blijkbaar vooral toen men hem naar de isoleercel wilde leiden. Panikeert niet elke mens als hij opgesloten wordt voor onbepaalde tijd? Dit afzonderen van psychotische patiënten is gebruikelijk.

Patiënten worden gezien als een potentieel gevaar en moeten dus overmeesterd worden

In de ziekenhuizen waar ik werd opgenomen, werd ik telkens naar de isoleercel gebracht. Ook in Boechout klopte ik net als Jonathan aan. Bij de opname was ik rustig – ik dacht in mijn psychose dat ik zou verlicht worden als een boeddha – en toch werd ik meteen opgesloten. Toen ik ’s nachts plots besefte waar ik was, begon ik op de deuren van mijn cel te bonken, te roepen. “Ik wil naar huis!”, ik was er immers vrijwillig. Op dat moment stormden zes verpleegkundigen binnen. Ja, ook ik heb me verzet, ik heb gekrabd, gebeten, geschopt. Maar ik had het geluk dat ik een vrouw was, dat ik niet zo sterk was als Jonathan. Ik werd overmeesterd en vastgebonden met leren riemen.

Toch is de reactie van de verpleegkundigen begrijpelijk. “We weten niet wat we binnen krijgen”, verdedigde een van de hulpverleners zich. Patiënten met een psychose zijn onvoorspelbaar. Precies die onvoorspelbaarheid boezemt angst in. Ook bij de politie zagen we deze reactie. Patiënten worden gezien als een potentieel gevaar en moeten dus overmeesterd worden. Ik werd tijdens mijn gedwongen opname van de spoedafdeling naar de psychiatrie vervoerd met handboeien en een volgwagen van de politie. “Veiligheidsprocedure”, lichtte de agent mijn man toe toen hij protesteerde.

En wat kunnen we zeggen over de gerechtsarts die hier evenwel niet terechtstaat? Waarom moest Jonathan Jacob absoluut verdoofd worden? Een psychose is nog steeds niet volledig biologisch te verklaren en confronteert ons met een kant van het brein waar we geen vat op hebben. Dit onbekende moeten we meteen onderdrukken. Ook ik wilde de inspuitingen niet; ook bij mij oordeelde een gerechtsarts dat ik ze niet mocht weigeren, ondanks het feit dat het het einde van mijn borstvoeding voor mijn zoontje betekende. Met de riemen vastgebonden werd ik platgespoten. Patiëntenrechten van psychiatrische patiënten worden al te vaak geschonden. Jonathans agressie werd geïnterpreteerd als een uiting van zijn waanzin in plaats van een normale instinctieve reactie van een man die in het nauw gedreven werd.

Ja, velen onder ons wanen zich Jezus, maar dat maakt niet elk van ons tot een potentiële Charles Manson

Waar komt die diepgewortelde angst vandaan? Ligt de schuld niet deels ook bij de media, als zij psychiatrische patiënten afschilderen als gevaarlijke gekken? Wie aan een depressie lijdt, zou weleens een vliegtuig kunnen laten crashen. Wie psychotisch is, stapt misschien een crèche binnen en richt een bloedbad aan. Maar zovele psychotici, zoals ik, zijn heel vredelievend. We halen het nieuws niet. Ja, velen onder ons wanen zich Jezus, maar dat maakt niet elk van ons tot een potentiële Charles Manson. Mensen met een psychose hebben heel wat – te veel wellicht – ideeën. Velen van ons zijn vaak wereldverbeteraars.

Rest de vraag of niet elk van ons schuld treft in de zaak Jonathan Jacob. Hoeveel ruimte is er voor mensen die afwijken van de dunne lijn van normaliteit? Is er plaats voor mensen zoals Jonathan, zoals ik, die even verward zijn? Het stijgende aantal collocaties toont onze intolerantie aan. Het torenhoge stigma zorgt ervoor dat heel wat psychiatrische patiënten in een isolement geraken, geen hulp zoeken, geen uitweg zien. De hoge zelfdodingscijfers kunnen daarvoor een indicatie zijn.

Op de vraag wie schuldig is, kunnen we maar beter allemaal onze hand opsteken. U, maar ook ik. Tot voor 2012 was ik een doodnormale vrouw, docent op een hogeschool, getrouwd, mama van drie kindjes. Ik zou nooit psychisch ziek worden. Ik was sterk, dacht ik. Mijn verhaal toont aan dat het iedereen kan overkomen. Als het u overkomt, hoe zou u dan behandeld willen worden?

Het klopt. Jonathan Jacob had een psychose. Maar de angstpsychose van de hulpverleners, de politie, de gerechtsarts, de media en van onszelf is zoveel groter. Misschien is het tijd voor wat gesprekstherapie?

Verschenen in De Morgen op 22 mei 2015

http://www.demorgen.be/opinie/is-er-wel-plaats-voor-mensen-zoals-jonathan-zoals-ik-b37e91d5/

Na de winter komt de lente

Mijn vierde blog verschenen op 14 oktober 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt sinds 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft. Deze week deel 4, lees de vorige blogpost hier

Ik geloofde ze niet. De mensen die me vertelden dat ik eruit zou kruipen, dat het allemaal goed zou komen. In het diepst van mijn depressie zag ik het licht niet meer aan het einde van de tunnel. In het diepst van mijn depressie was alles zwart. Het heden, het verleden en vooral de toekomst. Had het nog zin dat ik er was? Hoe vaak heb ik in de keuken gestaan met een mes in mijn handen, klaar om mijn polsen over te snijden. Hoe vaak heb ik overwogen om de auto te nemen, naar het treinspoor te rijden en te springen. Nee, ik geloofde niet dat er ooit nog mooie dagen zouden komen.

Ik had ongelijk. Ze zijn gekomen, die mooie dagen. De laatste maanden zijn er zelfs zo veel. Dagen om te bewaren in een doosje. Maar de allermooiste was wel afgelopen woensdag. De dag van mijn boekpresentatie. Ik moest gelukkig geen les geven in de voormiddag en ook Jan had verlof genomen. De hele ochtend dartelde ik zenuwachtig door het huis. Ik veranderde driemaal van ondergoed, alsof iemand onder mijn jurk zou kijken. Ik douchte uitgebreid en zong daarbij het ene Whitney Houston nummer na het andere, en ik moest niet bang zijn dat ze me ervoor in de isoleercel zouden steken. Voor de spiegel van de badkamer, nog wat aangedampt van het warme water, oefende ik mijn speech.

De deurbel. Ik hoorde Jan opendoen. Een mannenstem. Jan die lachte. De deur van de woonkamer die werd geopend. Wat was Jan met de postbode van plan? Toen ik in de keuken kwam, zag ik pas de grote verrassing. Mijn schoonbroer, die in Noorwegen woont, was speciaal overgevlogen om erbij te kunnen zijn op mijn grote dag. We praatten, lachten, terwijl ik steels op mijn horloge keek.

Rond twaalf uur reden we naar het Dokter Guislain Museum in Gent. Voor de boekpresentatie zou ik eerst een overleg hebben met Zorgnet Vlaanderen, enkele andere ervaringsdeskundigen en de voorzitter van Broeders van Liefde. Daarom had ik mijn boek geschreven, om in dialoog te gaan, om te praten over hoe de geestelijke gezondheidszorg zou kunnen verbeteren. Het werd een constructief gesprek, met goede voornemens en bruine broodjes met kaas.

Om half drie was het dan zover. De officiële presentatie van mijn boek. Op de 120 stoelen zaten 120 mensen die naar mij kwamen luisteren. En ik speechte, zoals ik ook voor de spiegel had gedaan. Alleen met wat meer tranen, zeker toen mijn zus begon te huilen. Tranen van geluk, dat we er effectief uit zijn geklommen, dat het allemaal achter ons ligt.

En dan was het tijd voor een debat, met Mieke Craeymeersch, directeur van Similes en Professor Stijn Vanheule, waarin we praatten over de huidige psychiatrie, over wat er misgaat, over waar we naartoe willen. Er was inbreng van het publiek, van patiënten die openlijk over hun ziekte vertelden, van familieleden die hun kant van het verhaal lieten horen. Het was een namiddag van hoop, waarin het taboe werd doorbroken, en de psychiatrische patiënt een stem kreeg.

Na afloop werd er ook gedronken, er werd gelachen en er werd gesigneerd. Mensen in een rijtje die mijn naam wilden in hun boek. Heel bijzonder vond ik dat.Ik kijk stiekem al uit naar de boekenbeurs om daar opnieuw aan een tafeltje te zitten en in krulletters mijn naam te schrijven op het voorblad.

Ja, 8 oktober was een heel bijzondere dag. Zo’n mooie dag waarvan ik twee jaar geleden dacht dat ze nooit meer zouden komen. Thuisgekomen ben ik nog even naar boven gegaan. Ik heb mijn drie zonen een kusje gegeven, de dekens nog wat recht getrokken, door hun blonde haren gestreeld en in hun oren gefluisterd. Dat mama nooit weg zal gaan en er altijd voor hen zal zijn. Want alle clichés zijn waar. Na regen komt zonneschijn. Na de winter komt de lente.

Wat ben ik blij dat ik (nog) leef.

Brenda

De Nobelprijs voor de Literatuur

Mijn derde blog, verschenen op 7 oktober 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt sinds 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft. Deze week deel 3, lees de vorige blogpost hier

‘En? Hoe gaat het me je?’ Ik hoor de ongerustheid in mijn moeders stem aan de andere kant van de lijn. ‘Kan je het allemaal nog baas?’ Ze is soms nog bang, dat ik ooit weer zal hervallen, dat het me opnieuw zal overkomen, een psychose, een depressie. ‘Is het niet te druk, Brenda?’ vraagt ze me met wat meer nadruk. En ik moet toegeven dat het druk is, dat er de afgelopen weken heel wat op me is afgekomen. Bewogen dagen. Korte nachten. Zoals op 22 september toen ik voor de eerste keer mijn boek in handen kreeg. Ik heb eraan geroken, eraan gevoeld, ja zelfs de cover gezoend. Het was er echt, mijn boek, mijn kinderdroom.

Of de volgende dagen waarop ik naar verschillende boekhandels belde met vermomde stem: of ze het boek van Brenda Froyen toevallig hadden? En dan licht euforisch inhaakte wanneer ze me wisten te vertellen dat het inderdaad in de boekenrekken lag.

Of de dag na de aflevering van Koppen, toen ik overstelpt werd met reacties. Bemoedigende woorden, berichtjes die me vleugels gaven, maar ook kritiek vanuit de hulpverleningssector. Dat de reportage te eenzijdig was, dat de psychiatrie te zwart werd afgeschilderd.

Nu het boek er eenmaal is blijven de berichten komen. Mailtjes van lotgenoten die me gelijksoortige verhalen vertellen, familieleden die me om hulp vragen. Zo werd ik deze week gebeld door de zus van een vrouw die 9 maanden geleden bevallen is. Sinds de geboorte van haar baby is ze niet meer dezelfde. Ze is zichzelf volledig kwijt, zit in een zware depressie. Of het misschien mogelijk was – de vrouw aarzelde even – om haar zus te ontmoeten? Omdat ze wilde horen dat je eruit geraakt, omdat ze wilde zien dat je ervan kan herstellen. Zulke verhalen raken me. Want meer nog dan een aanklacht tegen de gangbare praktijken in de psychiatrie, wil ik dat mijn boek een verhaal van hoop is, dat ik andere mensen kan helpen. En dus stemde ik toe. We zien elkaar volgende week.

Of de dag dat ik van de uitgeefster te horen kreeg dat mijn boek in de top tien van Standaard Boekhandel stond. Dat was beslist een heel bijzonder moment. In mijn grootheidswaanzin, naast het feit dat ik me Jezus waande, dacht ik dat mijn boek, dat ik toen al aan het schrijven was, weken in de top tien zou staan, in verschillende talen vertaald zou worden en dat ik – wat is dit toch gênant – de Nobelprijs van de Literatuur zou winnen. Vreemd als plots een van je wanen werkelijkheid wordt.

Maar hoezeer ik ook blij ben dat mijn boek nu door heel wat mensen gelezen wordt, het maakt me ook soms onzeker. Want ik heb heel wat gekke dingen gedaan in mijn psychose – welke normale mens wil zijn eigen auto stelen? – en in mijn depressie op het punt gestaan om er een einde aan te maken. Zovele mensen weten dat nu, en lezen over mijn diepste verlangens, mijn donkerste gedachten. Daar mag ik soms niet te veel bij stilstaan.

Naast zoveel intense emoties is er ook zoveel te doen, thuis, op school, voor het boek. Het verbeterwerk dat zich opstapelt, de twee wasmanden die in de berging op me wachten, een interview hier en daar, een artikel dat ik nog moet schrijven voor een patiëntentijdschrift, de speech voor mijn boekpresentatie deze week en mijn drie kereltjes die de nodige aandacht vragen.

En dus geef ik toe: ‘Ja, mama, het is druk, maar ik geniet van alles wat op me af komt. Ik kan het echt wel aan.’ ‘Maar zorg er toch maar voor dat je genoeg slaapt’, mijn moeder klinkt alsof ze geen tegenspraak duldt. ‘Zal ik doen, mam’. Ze lijkt gerustgesteld, toch voor een paar dagen. Dan zal ze weer bellen, met dezelfde vragen, met dezelfde ongerustheid in haar stem. En dan zal ik haar opnieuw geruststellen. Omdat ik geloof dat ik niet meer zal hervallen, net zoals ik geloof dat ik niet de Nobelprijs van de Literatuur zal winnen. Jammer, dat wel.

Brenda

Met gekrulde tenen

Mijn tweede blog, verschenen op 30 september 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt sinds 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft. Deze week deel 2, lees de eerste blogpost hier

Ik had er stiekem op gehoopt, op wat media-aandacht. Een artikeltje ergens in een streekkrant, vlak voor de zoekertjes en de oproep voor oud ijzer. Of een vermelding van mijn boek in het infoblaadje van ons dorp, naast de kalender van de afvalophaling. Het is allemaal wat groter geworden dan dat.

Hoe het allemaal begon? Eigenlijk al in 2012, toen ik nog gecolloqueerd was. Ik was al 23 dagen opgesloten. Al 23 dagen werd mijn hele doen en laten bepaald door anderen. Ik ergerde me aan de zinloze therapieën, aan het zoveelste receptje van Jeroen Meus dat ik moest maken, aan de mandala’s en kleurpotloden die op de tafels lagen om de tijd te doden, aan de betuttelende opmerking van de nachtverpleging die zei dat ik nu toch echt wel moest gaan slapen. Ik beklaagde me bij de verpleging, bij de dokter, bij de ombudsdienst, dat ik niet tevreden was over mijn behandeling. Ik werd steevast weggestuurd met een kalmeringsmiddel. Ik was te druk, zeiden ze.

Als ze niet naar me wilden luisteren, zou ik ervoor zorgen dat ik op een andere manier gehoord werd. Die avond schreef ik een brief op mijn laptop naar De Standaard. Er was geen internet op de afdeling. Ik sloeg hem op op een usb-stick. De volgende morgen, op een onbewaakt moment, sloop ik de verplegingspost binnen. Haastig logde ik in op mijn mailaccount en verstuurde ik mijn brief naar een oude vriendin die bij De Standaard werkte. In de namiddag kreeg ik al een telefoontje van haar. Dat ze erg geraakt was door mijn verhaal, dat ze er zeker ruimte voor wilde maken, als de drukte rond de verkiezingen wat geluwd zou zijn. Tevreden haakte ik in. Vervolgens belde ik naar 1207 voor het nummer van de VRT. Ik werd verschillende keren doorverbonden, een wachtmuziekje met de ‘Lente’ van Vivaldi, verder doorverbonden, een wachtmuziekje met Ozark Henri. Uiteindelijk kwam ik terecht op de redactie van Koppen. Een researcher luisterde aandachtig naar mijn verhaal. Ik was blij om gehoord te worden.

Er is in 2012 geen artikel verschenen in De Standaard. Er kwam ook geen Koppen-reportage. Toen de psychiater een verzoek indiende om mijn collocatie met 3 maanden te verlengen kwam plots het besef, dat ze me zo lang als ze wilden in de psychiatrie konden houden, dat ik beter mijn mond hield, dat ík beter luisterde en knikte. Ik trok me terug op mijn kamer en schreef verder aan mijn boek.

Het idee is altijd blijven spelen, dat ik met mijn verhaal naar buiten zou komen. In augustus 2013 nam ik zelfs opnieuw contact op met de researcher van Koppen. Ze wist nog goed wie ik was. We spraken af in de binnentuin van het Guislain Museum waar we een hele namiddag praatten over mij, over de koude isoleercel, over de psychiatrie. En opnieuw waren ze geïnteresseerd om er een reportage van te maken, en opnieuw trok ik me terug. Ik was bang. Voor het stigma. Ik had nog geen nieuw werk gevonden. Een reportage zou mijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht verkleinen. Ik zweeg opnieuw en wachtte tot de tijd rijp was, tot ik de moed gevonden had.

Ik heb ze gevonden, al twijfel ik nog soms. Steeds opnieuw krullen mijn tenen als ik moet zeggen dat ik psychiatrisch patiënt ben geweest. Steeds opnieuw voel ik schroom, maar ik wil mijn verhaal vertellen.

Het langverwachte artikel in De Standaard is er gekomen. En ook Koppen maakte een mooie reportage van wat ons gezin is overkomen.

Ik heb lang gezwegen, geknikt, geslikt, gewacht. Nu is de tijd rijp. Ik word gehoord, al is het nog met gekrulde tenen.

Brenda

Over het kopje thee dat koud werd

Mijn eerste blog, verschenen op 22 september 2014 op www.wpg.be

Brenda Froyen schreef met Kortsluiting in mijn hoofd een aanklacht tegen de vaak willekeurige, dwingende en soms vernederende behandeling van psychiatrische patiënten. Maar het is ook een verhaal van hoop. Het boek geeft een aangrijpend en verhelderend beeld van wat er in iemand omgaat tijdens een psychose. Het boek ligt 29 september in de winkels en Brenda vertelt 4 weken lang hoe ze dit beleeft.

Juni 2012. Het was koud in de isoleerkamer. En stil, ijzig stil. Enkele uren voordien was ik nog omringd geweest door het vrolijke geschater van mijn twee oudste zoontjes, had ik Zen, mijn baby’tje van net drie maanden oud nog aan de borst gelegd. En nu was er niemand meer, niets. Ik riep, dat ik eruit wilde, dat ik mijn kinderen wilde zien. Mijn stem echode tegen de grijze, kale muren. Ik rukte aan de leren riemen die me vastgebonden hielden op het bed. Niemand kwam. Op de grond lagen witte vellen papier en een potlood. Ik kon er net bij. In de linkerbovenhoek schreef ik mijn eerste woorden. Woorden van verontwaardiging, van onbegrip. De eerste woorden van mijn boek.

Gedurende de hele periode van mijn ziekte ben ik blijven schrijven. Om de chaos in mijn hoofd te ordenen, om dat wat ik meegemaakt had een plaats te geven. In een dagboekje met handgeschept papier en een leren kaft schreef ik alles neer. Waanzin. Onzin. Zin en zinnen. Bladzijden vol. Toen ik voor een tweede keer werd opgenomen en opnieuw in de isoleercel belandde, kreeg ik geen papier meer. Ik voelde me verloren, alsof ze mijn enige steun en toeverlaat afnamen en dus schreef ik op de muren. De kracht van het woord. Taal als compagnon.

Maar uiteindelijk liet ook de taal me in de steek. Toen na maanden van psychose en manie een depressie kwam, kreeg ik geen letter meer op papier. De bladzijden bleven leeg. Mijn pen lag onaangeroerd op mijn bureau. Ik zweeg, drie maanden lang, de donkerste maanden van het jaar. Ik wachtte. Tijd heelt alle wonden. Met de lente kwamen ook de eerste woorden terug, als aarzelende krokusjes onder een smeltend sneeuwtapijt. Krokussen werden klaprozen. Lente werd zomer. De draak in mijn hoofd was verslagen, de strijd was gestreden, het dagboek was vol.

Met mijn schrijfsels kwam ik terecht bij Kristien Hemmerechts. Als meter van Te Gek?! was ze geïnteresseerd in wat ik neergepend had. ‘Om er een boek van te maken was er nog een lange weg te gaan’, vertelde ze me. ‘Te emotioneel, te beladen. Onleesbaar voor een buitenstaander.’ Ik schreef en herschreef. Kristien schrapte en stuurde bij tot ik de juiste toon gevonden had en ik alleen op weg kon. Van september tot maart, elke avond na het werk, als de kinderen naar bed waren, kroop ik achter mijn computer. Met een kopje thee dat vaak koud werd, mijn leren boekje, de verslagen van de psychiatrie en dagboekfragmenten van mijn zus  en man ging ik aan de slag. Ik puzzelde, knipte, plakte, typte, deletete, maar vooral: ik genoot. Had ik als achtjarig meisje niet gezegd dat ik schrijfster wilde worden? Ik werkte aan een droom.

En mijn droom werd werkelijkheid toen ik in april bericht kreeg van de uitgeverij dat ze de vrouw achter het boek wilde leren kennen. Het werd een aftastend gesprek. Of ik voldoende hersteld was om een dergelijk boek uit te brengen, vroeg uitgeefster Sofie me. Een doordachte vraag, vond ik, maar ik aarzelde niet. ‘Ik voel me sterker dan ooit.’ En dus gingen we opnieuw aan de slag. Schrappen, bijsturen, herschrijven, discussiëren over een gepaste titel, op zoek gaan naar een beeld voor op de cover, de achterflaptekst bedenken, samenzitten met marketing om het boek te promoten. Er kwam heel wat bij kijken, maar ik vond het heerlijk.

Intussen is het boek helemaal klaar. Nog enkele typfouten zijn verbeterd, de laatste komma’s zijn gezet. En nu is het wachten, aftellen, tot 29 september. Dan is het er, eindelijk. Mijn compagnon, mijn steun en toeverlaat, mijn droom op papier. Dan ga ik naar de boekhandel. Dan koop ik mijn eigen boek en ga ik de verkoper trots vertellen dat ík dat boek geschreven heb. Dan zet ik me in de zetel, en lees ik mijn eigen boek. Met een kopje thee naast me dat wellicht koud zal worden.

Brenda