Reizen met kinderen? ‘Bijna zo leuk als de Belgische kust’

14 jaar geleden gingen we samen op reis, een jaar, in Azië, mijn man en ik. We waren amper een maand samen toen we die beslissing namen. Die reis was de basis voor onze relatie. Een reis waarin we elkaar leerden kennen, waarin we de zotste avonturen beleefden, van stiekem overnachten op de Chinese muur tot een motor kopen in Vietnam en over de Cambodjaanse grens smokkelen. Een jaar waar, toegegeven, ook foute verwachtingen werden gesteld, want zelfs na 14 jaar krijg ik mijn man nog steeds niet uitgelegd dat 2 maal per dag seks niet dé maatstaf is. We reisden en we droomden over wat nog zou komen. Waar zouden we wonen? Kinderen? En zouden we met die kinderen ook nog kunnen reizen? We namen het ons voor.

Maak van je kwetsbaarheid je sterkte

Er zijn intussen 3 kereltjes, van 7, 9 en 11. En ja, ze hebben al wat gereisd, in Europa, maar ook in Cuba, Panama, Nepal. Patagonië in Argentinië stond al lang op ons verlanglijstje. Een onmogelijke bestemming gezien het in onze zomer daar winter is. Tot plots alles samenviel, een uitnodiging voor een congres in Buenos Aires, het juiste moment in de loopbaan en dus vertrokken we begin november voor een maand naar Patagonië. De leerkrachten bezorgden ons een overzicht van de te verwerven leerstof. Daar begonnen we tijdens de herfstvakantie al aan om wat ‘voorsprong’ te nemen. Tot daar onze voorbereiding.

Voor de rest hadden we nog niet zoveel overdacht. Dat doen we overigens nooit. De Lonely Planets gaan meestal pas echt open op de vlucht, of op dag één van de reis. En dan begint het dromen. Wat gaan we allemaal doen? Misschien is het vreemd om niet alles op voorhand vast te leggen, maar eigenlijk vinden we het best fijn om zo flexibel te zijn. Zo kunnen we ergens wat langer blijven als de jongens het er leuk vinden, of we vluchten als het weer wat tegenslaat. Niets regelen, geeft natuurlijk ook wat onzekerheid, maar daar hebben we precies die kinderen voor. Niemand laat kinderen op straat staan. Maak van je kwetsbaarheid je sterkte 😉. En zo gingen we dus ook behoorlijk onvoorbereid naar Patagonië.

Hoe is ons maandje weg meegevallen? Reizen met kinderen. Het leven zoals het is, on the road.

Krakende onderbroeken 

De jongens dragen sowieso hun eigen rugzak. Travel light is dus de boodschap. Beter een wasje onderweg dan te veel kleren. Er zijn dus niet genoeg onderbroeken mee. Helaas een argument voor de jongens om niet van onderbroek te moeten wisselen. Hun maatstaf om te wisselen van ondergoed is meestal dat het ding werkelijk moet ‘kraken’ voor je ze niet meer aantrekt. Speelgoed nemen we sowieso niet mee. Dat hebben we na de verschillende reizen al geleerd. Een stok, een steen, maar vooral straathonden en katten zorgen bij uitstek voor het grootste vertier. De ‘leukheidsgraad’ van de bestemming wordt meestal ook gemeten op basis van de hond. ‘Wat vond je het leukste plekje van die reis?’ ‘Waar ze die hond hadden die altijd een stok ging halen.’

Onze logeerplekjes leggen we meestal de avond voordien vast via Airbnb, of ter plaatse door langs wat adresjes te gaan. We blijven 1 of 2 nachtjes ter plaatse. De jongens geven voorkeur aan twee. Volkswijsheid van Jip (11): ‘De tweede nacht slaap je altijd beter’. In Argentinië en Chili zijn er heel wat ‘cabañas’ (hutjes) met minstens 2 kamertjes en ook een keukentje. Die keukentjes gaven ons ook de gelegenheid om soms zelf te koken met veel groenten, want Argentinië is bij uitstek een vleesland. De jongens gaven er natuurlijk de voorkeur aan om elke dag op restaurant te gaan, ‘het is toch niet erg om elke dag pizza of frietjes te eten?’

Het geluidshuis en de bisnummers 

De afstanden in Patagonië hadden we flink onderschat. De lokale bevolking heeft duidelijk ook andere standaarden: ‘si, es muy cerquita (ja, het is heel dichtbij) en dan betekende het meestal nog een rit van 4 uur. Tijdens die ritten werden de jongens geanimeerd met hoorspelen van het geluidshuis. Zodra die klaar waren, begonnen we aan een bisronde. Ook konden ze af en toe op de I-pad spelen maar de staat van de wegen liet dat niet altijd toe. De bochten, de ‘ripio’ (gravel wegen)  waren niet altijd geschikt voor Loms gevoelige maag. ‘Ja, maar mama, het gaat echt wel  – als het over I-pads gaat, overschat Lom zich wel eens).’ Vijf minuten later, noodstop langs de weg om de pizza in half verteerde staat eruit te zien komen.

Echt veel schermpjestijd hadden de jongens overigens niet. Er was zoveel te beleven, een dagtrekking naar Mount Fitz Roy (21 km, heen en terug, pure kindermishandeling volgens Zen), een gletsjer bezoeken, op zoek naar de ‘cueva de los manos’, de marmeren grotten, de warmwaterbaden, raften, zwemmen in de fjord, walvissen spotten, de zeeleeuwen een bezoekje brengen. Het was een gevarieerde reis waar we ongeveer elk seizoen beleefde, soms 4 op één dag. Niet altijd op kindermaat. Er werd heel wat van hen gevraagd, waaronder behoorlijk wat ‘wandelen’ (waarbij ze vaak uitgebreid hun ‘Brawlstars’ tactieken bespraken) en vaak ook geduld. ‘Ik dacht dat die orka’s hier om 8u30 zouden zijn?’ En nee, ze vatten niet altijd hoe ‘bijzonder’ het is wat we meemaken. Zo stond Zen erop dat terwijl er een 16 meter lange walvis naast onze boot zwom, dat ik absoluut eerst moest kijken naar ‘de vorm die zijn Mentos nu had in zijn mond door het lange zuigen.’ Tegelijkertijd zagen zij dingen die wij niet zagen: ‘broers, kom kijken, deze steen is echt de mooiste die ik ooit gezien heb.’ Ze toonden ons de bijzonderheden door de ogen van een kind. 

Wat ze allemaal leerden 

Maar wat leerden ze veel. Sowieso elke dag een uurtje taal en rekenen. Dat lijkt niet veel maar we probeerden daarnaast de leerstof uit de boeken doorheen de dag te koppelen aan wat we zagen. Stenen in de fjord kregen een getalwaarde en zorgden zo voor de nodige opstelsommetjes als er met stenen gegooid werd. Met de wisselkoersen oefenden we de maal – en deeltafels. Ze maakten infofilmpjes voor de klas. Ze leerden wat een gletsjer is, de habitat van de Condor, de levenswijzen van de walvis, waarom het in België herfst is terwijl het hier lente is, wat is erosie? Jip maakte tabellen in Excell op basis van de informatie over de bevolking in de Trotter reisgids. Ze spreken ook enkele woordjes Spaans: ‘El baño, por favor’, en dan springen wij tevoorschijn zodat ze ook ons de toegang tot het toilet niet kunnen weigeren.  

Ze leerden ook dat centrale verwarming geen vanzelfsprekendheid is, dat er niet overal Wifi is (hoe kan dat nu?), dat wegen niet altijd geasfalteerd zijn, en dat het dichtstbijzijnde ziekenhuis soms op 300 kilometer ligt.

Waarom we geen jaar op reis gaan 

Of ze geen heimwee hadden? Eigenlijk niet. ‘Waarom doen we dit geen jaar?’ vroeg Zen. Het is een vraag die we ons tijdens onze eerste lange reis naar Cuba ook gesteld hadden, maar het antwoord is: omdat een maand een heerlijke periode om samen als gezin te cocoonen, maar daarnaast komt na die maand ook de nood om als koppel eens iets alleen te kunnen doen, of zelfs in je eentje. En geloof me, het is niet dat die kereltjes op reis geen ruzie maken. ‘Mama, Lom heeft mij geduwd’, ‘Ik moet weer in het midden zitten op de achterbank.’ ‘Ik wil dat bed.’  

Het was een fantastisch reis, geen vakantie, dat niet, want reizen is echt wel een werkwoord waar we voor uitdagingen kwamen te staan, van een lekke band in the middle of nowhere tot lange busritten van 16 uur en jawel, een verloren stuk bagage dat we tot op heden niet teruggevonden hebben. Uitdagingen die er steeds om vroegen om samen naar oplossingen te zoeken, en af en toe ook wat ruzie te maken.

Of de kinderen het ook een leuke reis vonden? Toen ik het aan Lom vroeg, zei hij vol overtuiging: ‘ja mama, bijna net zo leuk als Koksijde!’ 😉. En daarom reizen we dus met onze kinderen, omdat zij het het bijna zo leuk vinden als de Belgische kust en wij net een tikje leuker.

Als de werkelijkheid de grootheidswaanzin overtreft

‘Ik ga een boek schrijven,’ de verpleegster knikte. ‘Het gaat weken in de top 10 staan. Het gaat zelfs vertaald worden.’ ‘Grootheidswaanzin’, noteerde ze in mijn dossier. En ze had gelijk.

We zijn intussen 7 jaar later. De waanzin is gaan liggen, maar soms lijkt mijn leven maffer of misschien zelfs grootser dan wat ik me tijdens mijn psychose had voorgesteld. Vijf dagen verbleven we met ons gezin in Buenos Aires, hoofdstad van Argentinië, en de plek waar ik op het tweejaarlijkse internationale congres ‘Dialogical Practices’ een praatje mocht geven. Ik leerde Elisa en Martin, twee Argentijnen twee jaar geleden kennen op een congres in Turijn. ‘In 2019 organiseren we een ‘conferencia’ in Argentinië, je moet er komen spreken.’ Ik had het wat weggelachen.

Vorig jaar besliste ik in maart om loopbaanonderbreking aan te vragen op mijn werk op de hogeschool. Dat vond ik een behoorlijk moeilijke beslissing. Zou ik niet te veel missen? Wat als ze mij niet meer misten? Maar ik besloot dat een jaar me alleen maar bezig houden met lezingen, schrijven, Psychosenet en ja ook die 3 leuke kereltjes misschien ook wel een goed idee was. De dag waarop ik enigszins twijfelachtig aan mijn opleidingshoofd liet weten dat ik er een jaartje uitging, was de dag waarop ik ’s avonds een mailtje kreeg van Elisa om te komen spreken op het congres in Buenos Aires. Alsof het zo had moeten zijn.

We hebben een klein appartementje in Palermo vlakbij het park 3 Febrero. Het park bezoeken we dagelijks, om op een terrasje samen met de kinderen schoolwerk te doen, een balletje te trappen of gewoon even te wandelen. Buenos Aires is an sich heel groen, met brede lanen, koloniaal ogende gebouwen en veel bomen. Tijdens de congresdagen zorg ik dat ik ’s morgens samen iets leuks kan doen met Jan en de kinderen. Verplaatsingen doen we met de taxi. Dat is met ons 5’en het goedkoopst. Voor maximum 3 euro staan we met z’n allen aan de andere kant van de stad. We bezoeken San Telmo met de nauwe straatjes, we kijken hoe op elke straathoek tango wordt gedanst. We slenteren door het kleurrijke La Boca waar een soort van papier maché figuren in de vorm van de paus, Maradonna of Evita Perron vanop balkons naar de voorbijgangers zwaaien. In Retiro trekken we tijd uit om de grote begraafplaats te bezoeken vol majestueuze graven. De jongens zijn vooral in de ban van de doodskisten die soms op kiertjes lijken te staan. Niet vreemd als je bedenkt dat Halloween nog maar net achter ons ligt.

Reizen met kinderen betekent dat je net ook wat andere plekken bezoekt. Voor Jips verjaardag nemen we een taxi naar een buitenzwembad. Hoewel het 28 graden is, blijkt het pas open te gaan in de ‘zomer’, op 21 december dus. De teleurstelling is groot maar ‘El museo de los ninos (Het kindermuseum) brengt soelaas, een soort Technopolis in het Spaans. En ook een bezoekje aan het Hard Rock Café Buenos Aires (‘Nu heb ik ook zo een trui zoals sommigen in mijn klas) maken het voor Jip een onvergetelijke verjaardag!

Die 6de november is voor mij ook om een andere reden onvergetelijk. Om 18u30 geef ik mijn praatje op het congres. Ik ben al wat vroeger gegaan om nog wat lezingen bij te wonen, maar om 18u komen Jan en de kinderen ook de zaal binnengelopen. Ik heb lang getwijfeld om mijn lezing in het Spaans te geven, maar ik voel me net wat comfortabeler bij het Engels. Ik houd het dus bij een korte Spaanse introductie. Via hoofdtelefoontjes krijgen de mensen een simultane vertaling waardoor ze uiteindelijk maar enkele seconden later met mijn moppen moeten lachen dan wanneer ik ze maak. De reacties achteraf zijn hartverwarmend, want hoewel het verhaal zich afspeelt aan de andere kant van de wereld, is het thema ‘moederschap’ voor velen herkenbaar. Jan en de jongens krijgen een applaus van de zaal en er wordt zelfs gezongen voor Jip.

Ook de dag erop word ik tijdens het congres nog regelmatig aangesproken. Een psychiater uit Brazilië vraagt een foto met mij: ik wil je foto laten zien aan mijn patiënten opdat ze weten dat er hoop is, dat het goed kan komen. Ik lach. Dat mijn verhaal tot in het verre Brazilië hoop mag brengen, dat had ik in mijn grootste grootheidswaanzin niet kunnen bedenken.

Over de penis in vol ornaat en mijn ode aan de leerkracht

10 jaar sta ik nu in de lerarenopleiding. Ik doe het ontzettend graag, maar ondanks de verschillende jaren ervaring lijd ik nog steeds aan het ‘imposter syndroom’. Ik heb in heel wat verschillende onderwijscontexten les gegeven maar nooit in de lagere school. Wie ben ik dan om in de lerarenopleiding te vertellen hoe iemand in het basisonderwijs moet lesgeven? En dus besloot ik vorig jaar, enigszins impulsief (You know me) te starten met onze eigen opleiding. Een toch wel geflipt idee, want plots gaf ik les aan studenten die in andere vakken ook mijn medestudenten waren. Voor collega’s was het ook niet vanzelfsprekend. En heel eerlijk, ik heb het me zelf ook al geregeld beklaagd. Want natuurlijk zegt iedereen, ‘dat examen, ja, jou zal dat wel kunnen’, en ja het zal lukken maar niet zonder studeren. En veel studeren, want een leerkracht lager onderwijs moet van alle markten thuis zijn.

‘En natuurlijk heb je dat ooit geleerd, maar dat zat duidelijk verstopt in de diepste krochten van mijn hersenen.’

Zo had ik afgelopen zomer het examen Wereldoriëntatie. Dat had ik omwille van de drukte in juni uitgesteld. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een tweedezitexamen moest afleggen en ik blijk daar niet zo goed in te zijn, want er is altijd wel iets anders leuks in de zomer om te doen dan die berg leerstof te verwerken. En geloof me het is een berg. Aardrijkskunde, geschiedenis, fysica, biologie, allemaal op een hoopje. Van hefbomen en pneumatische pompen tot de werking van een oog. En natuurlijk heb je dat ooit geleerd, maar dat zat duidelijk verstopt in de diepste krochten van mijn hersenen.

Een dag voor het examen had ik nog steeds 100 pagina’s te gaan, zo van die pagina’s met kleine lettertjes wel te verstaan. En toen kwam ik hem tegen, de penis en zijn doorsnede. Het was kiezen. Ik kon niet alles even grondig meer studeren en dus besloot ik, gezien ik er vier thuis heb rondlopen en ik daar echt soms wel een overdosis aan heb, hem te negeren. Ik gokte dat, gezien onze multiculturele populatie van studenten, mijn collega-lector die penis wel niet zou vragen op het examen.

‘Mijn adem stokte toen ik hem zag, in vol ornaat. De penis.

En toen kwam de dag des oordeels. Ik bladerde haastig door de examenbundel. Mijn adem stokte toen ik hem zag, in vol ornaat. De penis. Met alle onderdelen om te benoemen en zoveel onderdelen heeft het ding niet eens omdat het ook allemaal niet zo complex is bij die mannen, maar ik kwam er niet meteen op. En de gedachten kwamen. Wat zouden mijn collega’s denken als ik de penis niet kende? Ik kon toch niet niet slagen op dit vak. Want geloof me, vaklectoren op een hogeschool. Ze zijn zo gepassioneerd én zo gespecialiseerd in hun vak dat ze soms vergeten dat niet iedereen die leerstof zo vanzelfsprekend vindt. Ik maak me er ook schuldig aan hoor. Hevig gesticulerend in de lectorenruimte na het verbeteren van het examen, dat een student niet weet wat een aanwijzend voornaamwoord is. Voor heel wat mensen, ook lectoren, is dat geen parate kennis meer. En ik heb ook collega’s die af en toe een dt-fout schrijven. Het maakt ons menselijk (al vind ik dat natuurlijk wel erg).

Het is me uiteindelijk gelukt hem te benoemen, de penis. En ja ik heb de urineblaas verwisseld met de prostaat, maar goed de buit is binnen, zowel het punt op het examen, als de buit waar die prostaat mede voor verantwoordelijk is. Ze lopen hier elke dag met z’n drieën vrolijk rond.

‘Ik leer elke dag uit mijn fouten.’

Intussen loop ik mijn tweede jaar stage. En wat leer ik ontzettend veel bij. Hoe mijn ideale lesjes nooit ideale lesjes zijn, hoe ook nog de boterhammenlijst moet ingevuld worden, hoe ik plots die ene leerling moet opvangen met wie het even moeilijk gaat terwijl we eigenlijk met z’n allen aan het kleinste gemeenschappelijke veelvoud zouden moeten werken. En ja, ik vind het spannend en ik voel me best kwetsbaar want ook hier hangen de woorden van velen boven mijn hoofd ‘jij zou dat toch moeten kunnen’, en ja ik kan het wel, maar dat betekent niet dat het niet heel hard werken is. En vooral, dat betekent niet dat ik geen fouten maak, of mag maken. Ik leer elke dag uit mijn fouten.

En dus bij deze, dit is mijn ode aan de leerkracht op deze lerarendag! De duizendpoot die én kennis overbrengt én coacht, die dagelijks een gevecht aangaat met de administratie, die toezichten houdt, die de verdrietjes van het ene kind opvangt, en de boosheden van de andere, die moeilijke gesprekken aangaat met ouders, en even gedreven de macarena danst in hawairokje op het schoolfeest.

Ik vind het een prachtige baan. Het geeft me zoveel energie. En ik zal nooit meer dezelfde lerarenopleider zijn na deze ervaring. Maar ik word boos als ik de zovele berichten in de krant lees.  Als ik vrienden soms misprijzend hoor praten over dit mooiste beroep van de wereld. Vrienden die ouders zijn en na enkele weken vakantie blij zijn dat ze hun kinderen weer kunnen afzetten op een school. ‘Nu is het wel genoeg geweest,’ zuchten ze dan. ‘Wat een drukte.’ (Geloof me, 102 keer ‘juf’ op een dag horen is geen uitzondering!).  Ouders die verwachten dat leerkrachten de beste zorgen aan hun kind geven maar daar zo weinig erkenning voor geven, want ‘he, dat is je job’!

‘Het is meer dan een job, het is een roeping, een missie.’

Laat me even zeggen, voor zovele leerkrachten is het meer dan een job, het is een roeping, een missie. Het is het mooiste wat er bestaat, kinderen iets bijleren, vormen. Hun ontwikkeling van zo nabij mogen meemaken. Het is een van de belangrijkste beroepen in onze maatschappij. In het onderwijs ligt de belofte van de toekomst. En daarom, vandaag, op deze lerarendag, mijn diepste respect, mijn diepste waardering. Dank je wel lieve leerkrachten voor jullie dagelijkse inzet. Jullie maken het verschil, elke dag weer. Dat we dat niet mogen vergeten!

Dát, en natuurlijk de onderdelen van de penis. Díe vergeet ik ook nooit meer. 😉

fotocredits: Hilde Segers Klikout

Kinderen als kanariepietjes van onze maatschappij

Met de verkiezingen in zicht rollen de partijen over elkaar heen om hun mening over het onderwijs te geven. Forse uitspraken worden gedaan, puntenplannen worden opgesteld want ‘het gaat niet goed met het Vlaamse onderwijs’. Daarbij wordt echter één fundamenteel inzicht over het hoofd gezien: onderwijs is een middel, geen doel op zich. En dus is ook de beste score hebben op de PISA toetsen of PIRLS ook geen doel op zich. Als leerlingen of studenten prachtige scores hebben op school maar later die mooie resultaten niet weten te verzilveren in de maatschappij, niet hun weg vinden, hun talenten niet kunnen inzetten, dan zijn die punten voor mij weinig waardevol geweest.

Hoog in de rankings

Misschien is dat wat me het meeste stoort aan deze hele onderwijsdiscussie. Ik ben zeker bereid om handboeken aan de deur te zetten, koepels af te schaffen, meer te meten, me meer te laten evalueren opdat we weer stijgen in de PISA ranking op voorwaarde dat dat ook zou betekenen dat we er ook maatschappelijk op vooruit gaan.

En precies daar lijken we niet in te slagen. Nederland mag dan wel de ‘pretpedagogie’ hebben, ze doen het op een heel aantal zaken beter dan wij. Let op, ook wij staan hoog in bepaalde rankings:

We scoren heel hoog op …
het aantal zelfdodingen in West-Europa
wachttijden voor psychische hulp
het aantal ministers per inwoners
het begrotingstekort in vergelijking met de omringende landen

Kinderen als kanariepietjes van de maatschappij

Blijkbaar schort er iets met het onderwijs dat onze politici hebben genoten. Blijkbaar heeft dit kibbelkabinet niet de sociale vaardigheden meegekregen om te kunnen samenwerken. Blijkbaar hebben ze niet de onderzoeksvaardigheden meegekregen om met oplossingen te komen voor 21ste eeuwe problemen, blijkbaar hebben ze niet het reflectieve vermogen om te zien dat de ‘onderwijscrisis’ misschien wel een afspiegeling is van een eigen kortetermijnbeleid.

Focus op kennis zal er niet voor zorgen dat de brooddozen van sommige kinderen gevuld zullen raken. De kinderarmoede werd niet aangepakt. We kunnen de ‘gedragsgestoorde kinderen’ één voor één doorverwijzen naar het buitengewoon onderwijs, maar het gaat niet over één kind per klas. Het zijn er intussen velen. Omdat dat gedrag voortkomt uit een context. Kinderen zijn de kanariepietjes van de maatschappij. Ze kunnen het vaak allemaal niet vatten, niet in woorden, en dus uit zich dat in gedrag. Er is minder sociale cohesie. We moeten vooral werken en dus is er minder tijd voor onze kinderen, minder tijd om voor te lezen zodat het niveau van het begrijpend lezen daalt. Of dacht je werkelijk dat de liefde voor boeken alleen op school kan worden doorgegeven.

‘Er moet een vak komen waarin…’

Alles wat misgaat in de maatschappij wordt doorgeschoven naar het onderwijs. Elke week is er wel iemand die zegt ‘dat er een vak moet komen waarin….’. Willen we werkelijk goed onderwijs, dan moet iedereen zich inspannen zodat de kinderen de maatschappelijke problemen niet hoeven mee te brengen naar de klas.

Hoe politici deze ‘onderwijscrisis’ best aanpakken? Door hun eigen vooropgestelde doelen na te komen, zodat we inderdaad minder ‘zorgen’ hebben in de klas. Pas dan kunnen we ons als leerkrachten werkelijk weer concentreren op het ‘echte lesgeven’.

 

Illustratie Tom Schoonooghe

Aan de ‘leeggangers van het onderwijs’

De afgelopen week regende het berichten over onderwijs. Alleen negatieve berichten. De Morgen kwam met een dossier waarvan de veelzeggende titel ‘Code rood in de klas’ weinig ruimte liet voor een positieve noot. En er werden uitspraken gedaan, oneliners. Bart De Wever sprak in Terzake over de ‘pretpedagogie’: een startsein voor nog meer krasse uitspraken.

Grijzende, kalende mannen

Philip Brinkman vergeleek in De Tijd het onderwijs met ‘een kermis die rondjes draait om kinderen te amuseren.’ Jean-Marie Dedecker beweerde in Knack dat de lat zo laag gelegd werd ‘dat je al een limbodanser moet zijn om eronder te kruipen.’

Die oneliners kwamen overigens meestal van grijzende, kalende mannen en dat in een sector die voor de overgrote meerderheid uit vrouwen bestaat. En dat die mannen en het merendeel van de auteurs van die opiniestukken de afgelopen jaren geen voet meer in een klas hebben gezet, ook dat moeten we slikken. Want, iedereen denkt te weten hoe het onderwijs werkt, omdat zij toch ook een kind of een kleinkind hebben dat naar school gaat. Alsof het feit dat we elke dag een brood eten ons het recht geeft om ongenuanceerde uitspraken te doen over bakkers en hoe ze dat brood moeten maken.

‘Er zijn zoveel onderzoeken niet’

En natuurlijk zijn er onderzoeken. Onderzoeken over één aspect in ons onderwijs. Maar er zijn zoveel onderzoeken niet. Over zaken die effectief niet meetbaar zijn maar waar leerkrachten wel elke dag het verschil maken.

Tussen al die vaak ongenuanceerde uitspraken wordt gezegd dat wij, leerkrachten ons niet aangesproken moeten voelen. Maar laat ons duidelijk zijn: we houden blijkbaar ook niet meer van lezen. En wie de comments leest op de social media weet dat het wel degelijk aan ons ligt: we zijn een bende leeglopers. We staan, zo zei een lezer op De Standaard, ‘meestal stomdronken voor de klas’ en we moeten nauwelijks iets doen, ‘want we hebben toch zoveel vakantie’. En met al die ‘bagger’ die we over ons heen krijgen, verwachten diezelfde lezers, diezelfde politici en opinieschrijvers wel dat we hun kind het ‘beste onderwijs’ geven, laten ‘excelleren’ en met andere woorden het beste van onszelf geven.

Geroep en getier

Ik kan je één ding vertellen. Ik voorspel dat in september het aantal inschrijvingen in onze lerarenopleiding opnieuw zal dalen. Media en politici hebben wel degelijk boter op het hoofd, want met al hun geroep en getier vergeten ze dat er iemand moet zijn om kinderen en jongeren te onderwijzen. En steeds minder mensen voelen zich daartoe geroepen. En waarom hard werken als de maatschappij toch blijft neerkijken op hen die de toekomst van onze maatschappij mee moeten garanderen.

Ik stap er alvast een jaartje uit. Ik ga full time werken als zelfstandige, je weet wel de échte harde werkers.

Die van het onderwijs, ‘dat zijn alleen maar vakantiegangers.’ Aan alle leerkrachten: een fijne paasvakantie gewenst!

Hoe studenten en een klaproos een psychose konden voorkomen

Brenda is webredacteur van Psychosenet.be, lector aan de lerarenopleiding en auteur van de boeken ‘Kortsluiting in mijn hoofd’, ‘Uitgedokterd‘ en ‘Lena‘. Even leek Brenda de pedalen te verliezen, de angst om opnieuw psychotisch te worden was er. Maar een bende lieve studenten en één klaproos brachten daar verandering in.

Juni 2012. In de tuin staan de klaprozen volop in bloei. Al is tuin een groot woord voor de bergen zand die zich achteraan ons huis bevinden. Restanten van 2 jaar verbouwingen. Ik heb de klaprozen niet gezaaid. Ze kwamen, zomaar, eigenzinnig in de tuin staan. Ze leiden me even af. Even maar. Want het is druk. Een mama ben ik, van drie kindjes, al moeten die drie kindjes even ‘aan de kant’. Ik werk op een hogeschool. De eindsprint is ingezet. Er moeten studiegidsfiches nagekeken worden, taken verbeterd, stageverslagen geschreven worden. Mama heeft nu even geen tijd. Er is te veel te doen, te weinig tijd. Tijd is er wel ’s nachts. En dus steel ik de uren van de nacht. De vogels en het daglicht kondigen al vroeg de dag aan. Slapen doen we een ander keertje wel. Drie weken later word ik opgenomen met wat ze  een kraambedpsychose noemen.

De parallellen zijn er. Het kan geen toeval zijn.

Juni 2018. Ik werk opnieuw op een hogeschool. De eindsprint is ingezet. Kop in kas. De eindmeet van de vakantie is in zicht. Niet flauw doen, op je tanden bijten. Al drie dagen na elkaar sta ik om 5u op om het to do lijstje het hoofd te bieden. Het is moeilijk om de slaap nog te vinden. Tussen de to do’s door stuur ik een uitnodiging voor mijn verjaardag. 40 jaar. Dat moet bijzonder worden. Terwijl ik op mijn telefoon door mijn foto’s scroll, kom ik eentje van mijn verjaardag tegen,  6 jaar geleden. Ik draag exact hetzelfde jurkje als nu. Fleurige bloempjes, aangepast aan het warme weer dat er toen en ook nu is. Mijn adem stokt. De parallellen zijn er. Het kan geen toeval zijn. Alarmbelletjes gaan af.

Die nacht sta ik niet op om 5u. Ik doe een bodyscan. Ik denk aan mijn teen, mijn knie, mijn bovenbeen. Ik val opnieuw in slaap. Ik ben opgelucht als ik 2 uur later wakker word. Ik sta op, ik maak een lijstje van al mijn to do’s. Kan ik prioriteiten stellen? Dat kon ik 6 jaar geleden niet. Alle balletjes moesten toen in de lucht blijven, en liefst gooide ik er nog wat bij. Met nummertjes duid ik aan wat het belangrijkste is. Één van de laatste nummertjes is een belofte die ik aan mijn studenten gemaakt heb, dat ik hun lesvoorbereidingen, formatief, zou nakijken. Ik tel uit hoeveel nachten me dat nog zal kosten om dat waar te maken. Ik beslis een mailtje te schrijven. Geen makkelijk mailtje, maar eentje dat wel nodig is.

Ik verstuur het berichtje met een bang hartje.

Beste studenten

Zoals ik jullie vertelde tijdens een van de lessen ging ik 6 jaar geleden flink overkop.  Het resulteerde in het boek ‘Kortsluiting in mijn hoofd’. 

De afgelopen dagen ben ik elke dag om 5u opgestaan om te verbeteren, de ECTS fiches in orde te krijgen, een project af te krijgen. Tot ik vanmorgen tot het besef kwam dat er wel heel veel parallellen zijn met 6 jaar geleden, dat het niet meer normaal is om voor 60% job aan de hogeschool werkdagen van meer dan 15u te maken, 6 dagen op 7. Misschien herken je dat wel? Ik heb in ieder geval beslist dat ik niet opnieuw wil meemaken wat ik 6 jaar geleden heb meegemaakt. En daarom vraag ik even om jullie begrip. Om mezelf in bescherming te nemen laat ik het formatief verbeteren van de tijdig doorgestuurde lessen  zo. Ik vind het best moeilijk, maar ik laat mijn idealisme even varen. 

Ik verstuur het berichtje met een bang hartje. Onzeker voel ik me. Wat zullen de studenten zeggen, denken. Stel ik hen teleur?

Er waren parallellen, maar die zijn er nu niet meer.

De dagen erop krijg ik mailtjes die al mijn verwachtingen overtreffen. Mailtjes met een en al begrip, met complimentjes over mijn openheid. Niet alleen het wegvallen van de berg taken verlicht, de vele berichtjes geven me zoveel energie. Schatten zijn het, mijn studenten.

Het lijstje is intussen nog altijd lang. Maar de nachten zijn er weer om te slapen. Het is weer rustig in mijn hoofd en ik neem tijd voor de kinderen. Het zijn zaken die energie geven om later weer aan de slag te kunnen gaan. Er waren parallellen, maar die zijn er nu niet meer. Ik heb tijdig aan de rem getrokken. Ik ben niet over mijn grenzen gegaan.

De avond valt over de tuin. In verschillende perken heb ik in maart klaprozen gezaaid, mijn lievelingsbloem. Er is maar één klaproos uitgekomen, in de hoek van tuin. Dat kan geen toeval zijn. Een klaproos laat zich niet bevelen. Ze is eigenzinnig. Eén klaproos kan zo mooi zijn.

 

Dank je lieve studenten

Brenda

Deze blog verscheen eerder op Psychosenet.be 

Het onrecht van het onderwijssysteem

18 jaar sta ik in het onderwijs. Onderwijs is mijn passie. Ik ben een geboren lesgever, een steengoede leerkracht, dat ook. Dat weet ik omdat ik om de paar jaren van school verander. Niet omdat ik moet vertrekken, maar omdat ik wil vertrekken. Omdat ik het fijn vind om mijn horizonten te verkennen, omdat ik zoveel leer van elke nieuwe school. Ik gaf mijn vaste benoeming op, twee keer een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. In ruil kreeg ik uitdaging, die ik zo nodig heb. Omdat ik steeds ‘nieuw’ ben in een school word ik aanhoudend geëvalueerd, krijg ik klasbezoeken. Mijn evaluaties zijn goed. Ik bevraag mijn studenten, leerlingen ook steeds anoniem om zoveel mogelijk te kunnen bijsturen, te leren van hen. Ik heb een ontzettende drive. Dat is mijn grootste kracht, maar tegelijk ook een van mijn grootste valkuilen. En ik ben ontzettend gevoelig voor onrecht.

Het onderwijs wordt getekend door een immens onrecht

En misschien is het daarom dat ik stilaan overweeg om mijn droomjob, lesgeven, het onderwijs, achter me te laten. Omdat ik het niet langer kan. Het onderwijs wordt getekend door een immens onrecht. Een onrecht in de vorm van een systeem. Een systeem dat harde werkers niet noodzakelijk beloont, maar vooral dat klaplopers niet afstraft. Leerkrachten die hun baan niet naar behoren doen worden niet de laan uit gestuurd, paraplu’s worden geopend, postjes worden gezocht om ze zo min mogelijk schade te laten aanrichten en de harde werkers mogen nog wat harder werken om dat te compenseren. Het hele onderwijssysteem is rot. Het gaat er niet om of je goed werkt of niet, het is een kwestie van ‘open uren’, ‘vaste benoemingen’, ‘anciënniteit’. We willen de kwaliteit van onderwijs waarborgen, maar dat doen we niet door mensen aan te trekken die voor deze baan kiezen omdat ze dan ‘veel vakantie hebben’, ‘omdat ze dan vroeger op pensioen mogen gaan’. De meest gedreven leerkrachten heb ik zien vertrekken.

Misschien is het tijd om mijn droomjob achter me te laten

Ik heb het onderwijs al zo veel gegeven. Kostbare tijd die ik niet met mijn kinderen heb doorgebracht, nachtrust terwijl ik beter wat had geslapen, eindeloos veel vakantiedagen waarvan ‘de maatschappij’ toch van oordeel is dat ik er ‘niks in doe’. If you can’t beat them join them? Of misschien is het echt tijd om mijn droomjob achter me te laten. Om mezelf te beschermen. Om niet de strijd aan te gaan tegen een systeem. Een strijd die ik nooit kan winnen. Misschien ben ik, na 18 jaar het strijden wat moe. #onderwijs

Brenda

Over ettertjes van kinderen

Copyright Foto An Nelissen

Ettertjes waren het, mijn drie zonen, toen ik na een gedwongen opname weer naar huis mocht. Ze konden het allemaal niet goed vatten, en gezien hun leeftijd vooral niet goed talig uitdrukken. Ze gooiden met deuren, met speelgoed, spraken tegen. Niemand had er vat op. Een maatschappelijk werkster aan huis suggereerde zelfs om ze even ‘te plaatsen’. Dat hebben we geweigerd. We zetten nog meer in op positieve aandacht en hen omringen met liefde, hoe moeilijk dat dat soms ook was. Het liet me meer dan ooit inzien hoe achter ‘gedrag’ vaak een verborgen verhaal zit.

Donderdagvoormiddag, 7 december 2017. Het is de tweede keer dat ik haar bezoek, een tweedejaarsstagiaire in het vierde leerjaar. Het valt me op dat ze vaak kortaf reageert op een van de leerlingen. Ik kan het zelfs niet helemaal volgen waarom hij precies even later de gang op vliegt. Er volgt geen herstelgesprek. Ik val er zwaar over. In de nabespreking probeer ik haar reactie te begrijpen. ‘Hij deed al de hele tijd vervelend’. Ik heb het er moeilijk mee, want de aanleiding was in deze situatie niet duidelijk, voor mij niet, maar zeker ook niet voor de jongen. Ik vraag haar wat ze van de jongen weet. Ze laat weten dat het een ‘moeilijke’ leerling is.

Ik geef haar de opdracht een plan van aanpak te schrijven hoe ze de jongen positief kan benaderen, zijn talenten te noteren, meer op zoek te gaan naar het verhaal achter de ‘moeilijke’ leerling. Omdat ik haar geen derde keer meer kan bezoeken vraag ik haar me dat alles door te sturen, zodat we het samen kunnen bespreken.
Het verhaal blijft nog spoken door mijn hoofd.

Labels zorgen vaak voor een fatalisme, en precies dat wil ik niet dat er heerst in ons onderwijs.

Ik vraag me af of ik te hard gereageerd heb. Want emmertjes raken vol, ook bij leerkrachten. Maar het raakt me ook. Die ‘moeilijke leerlingen’, die ettertjes, zoals mijn zoontjes ook waren. Hen wegzetten met een label helpt hen niet. Want het label verklaart het gedrag niet, hoe graag dat sommige wetenschappers dat ook zouden willen. Labels zorgen vaak voor een fatalisme, en precies dat wil ik niet dat er heerst in ons onderwijs. Fatalisme en gelatenheid.

Onderwijs kan de meest preventieve aanpak van geestelijke gezondheid zijn, maar ook medeveroorzaker van problemen. Ik hoop zo dat ik dit aan mijn studenten kan meegeven, maar niet door hen te bestraffen als ze fouten maken, maar op mijn beurt door hen kansen te geven om fouten te herstellen en eruit te leren. En vooral door jezelf steeds weer in vraag te stellen.

Want dat is wat ik nu ook zelf doe. Omdat ik niet weet of ik nu wel zo goed gereageerd hebt, niet overgereageerd heb. Tegelijkertijd stel ik me gerust. Dat het soms beter is om de moed te hebben om vragen te stellen, dan meteen gepaste antwoorden te geven.

Wat als een psychiatrisch ziekenhuis niet suïcidepreventief werkt!

Dapper is ze. Dat ze vertelt over de donkere gedachten in haar hoofd. Dat ze hulp zoekt, dat ze de raad van haar huisarts opvolgt, dat ze zich aanmeldt in het psychiatrische ziekenhuis voor een opname. Daar is moed voor nodig. Ze gaat samen met haar vriend. De verpleegkundige stelt haar gerust, dat ze hier tot rust kan komen, dat ze altijd weer naar huis kan gaan als ze wil.

Ze verblijft op de open afdeling. Één dag. Van een dag mag je geen wonderen verwachten. De donkere gedachten zijn er nog steeds, nog meer. Ze verwondt zichzelf, maar ze is eerlijk. Ze vertelt de verpleegkundige dat ze suïcidale gedachten heeft. Daar is nog veel meer moed voor nodig. Wie denkt aan zelfdoding houdt die idee vaak voor zich uit angst dat de plannen voorkomen zouden kunnen worden en dus mislukken. Zij niet. Ze vraagt om hulp. Ze wil niet dood. Ze wil alleen zo niet leven. Het ziekenhuis reageert. Ze wordt naar de gesloten afdeling gebracht, voor haar eigen ‘veiligheid’.

Het is zaterdagvoormiddag als ik een smsje van haar krijg. Ik heb haar twee jaar niet meer gezien. Maar ik herinner me haar goed, een intelligente twintiger, leergierig, open blik, fijngevoelig. ‘Of ik haar kan helpen. Ze is opgenomen, in een enge kamer, kale muren, vreemde toilet. Ze krijgt haar telefoon nog maar een half uurtje, en plots mag ze niet meer naar huis. Ze is bang. Dit is niet wat ze wil.’ We sturen wat berichtjes heen en weer. Ik probeer haar gerust te stellen en besluit naar de afdeling te bellen. De verpleegkundige is erg kortaf. ‘Ja, ze ligt in de isoleercel want er is even geen andere kamer vrij.’ Ik vertel hem hoe bang ze er is, dat ze terug wil naar de open afdeling, dat daar wel nog haar kamer is. Hij blaft me af. ‘Dat hij weet wie ik ben, dat hij mijn boeken kent, dat hij daar geen tijd voor heeft.’. Hij verbreekt de verbinding.

Haar vriend neemt intussen contact met me op. Hij is radeloos. ‘Ze moet daar weg. Ze zeggen dat ze het hele weekend daar moet blijven.’ Het ontnemen van haar vrijheid maakt haar nog wanhopiger. Het ziekenhuis heeft noch hem, noch haar op de hoogte gesteld van haar rechten. Ik leg hem uit wat hij kan doen, verwijs naar documenten over patiëntenrechten, over het toekennen van een vertrouwenspersoon, ik geef de website van het Vlaamse patiëntenplatform.

Twee uur later belt hij me. Ze zijn weer thuis. Het is precies gegaan zoals ik voorspeld had. Het ziekenhuis wilde ‘het risico niet nemen om haar op de open afdeling terug op te vangen’. Hij heeft een document moeten ondertekenen waarin hij haar op eigen verantwoordelijkheid meeneemt. Waar ze wel hulp kunnen vinden, heeft het ziekenhuis niet verteld. De zaak is voor hen afgesloten.

Vandaag is het wereldwijd dag van suïcidepreventie Dit alles gebeurde dit weekend. Ik heb net nog even naar haar gebeld. haar vriend de nummers doorgegeven van het mobiele team, VDIP. Vervolgens nog een telefoontje gedaan naar een ander ziekenhuis waar ze indien nodig, morgen voor een intake kan gaan, mocht VDIP niet lukken en we hebben afgesproken, dat als ze niet alleen wil zijn, dat ze vrijdag, als ik van thuis werk, gerust een dagje mag afkomen, al is het maar om niet alleen te zijn.

België is één van de koplopers in Europa op vlak van aantal zelfdodingen. Een ziekenhuis dat liever luistert naar zijn eigen regels en protocollen dan te luisteren naar iemand in levensgevaar, een ziekenhuis dat het belangrijker vindt om zich juridisch uit de wind te zetten, dan te doen wat haar kerntaak is ‘mensen helpen’. Zo een ziekenhuis ligt mee aan de oorzaak van het grote aantal suïcides. Zo een ziekenhuis maakt dat mensen bang zijn om hulp te zoeken, terwijl zovele hulpverleners op andere afdelingen, in andere ziekenhuizen wel goed werk leveren.

zet de stap naar hulp. Suïcidepreventie begint met daarnaar te luisteren. Suïcidepreventie is niet overreageren, niet wegkijken. Het is samen onze verantwoordelijkheid nemen en zorgen voor een ander, al heb je die twee jaar niet gezien, al ken je hem niet of nauwelijks. Omdat we het leven moeten koesteren. Op een dag als vandaag, en elke dag opnieuw.

Brenda

Maak van je kwetsbaarheid je sterkte – ook in het onderwijs!

Een week lang volgde ik het grote onderwijsrapport van De Morgen op de voet, als mama van drie, als mens met een rugzakje, als lerarenopleider. Het stemde me ontzettend droef. Niet alleen omdat de indicatoren van dit onderzoek, de thuistaal, de scholingsgraad van de moeder, het krijgen van een studietoelage, zoals Orhan Agirdag aangaf in zijn opiniestuk (http://www.demorgen.be/…/onderwijsrapport-zegt-weinig-over…/) , onterecht gekoppeld werden aan het label ‘kwaliteitsvol onderwijs’ maar vooral omdat dit rapport aangeeft wat we al langer weten. Dat het Vlaamse onderwijs niet slaagt in datgene wat ze zou moeten doen. Ontplooiingskansen geven aan alle kinderen.

We kijken beschuldigend naar de allochtonen: ‘Ze doen geen moeite.’ 

Bij het verschijnen van de Pisa resultaten klopt het Vlaamse onderwijs zich steeds weer op de borst. ‘We doen het nog steeds erg goed.’ Maar de Pisa resultaten tonen nog veel meer de ongelijkheid aan. Van de eerste generatie allochtone kinderen haalt slechts 40% het basisniveau van het onderwijs. En slechts 1 op drie van de tweede generatie allochtone leerlingen mag op het einde van de schoolloopbaan met het gegeerde papiertje zwaaien. De resultaten van De Morgen bevestigen op een manier deze cijfers. We weren ons, kijken beschuldigend naar de allochtonen, ‘ze doen geen moeite’, ‘de ouders zijn te weinig betrokken bij de school’. De andere Europese landen hebben blijkbaar veel betere allochtonen dan wij, want daar is de afkomst van de leerling veel minder bepalend voor de schoolresultaten. België is in Europa op dat vlak een van de slechtste leerlingen van de klas.
De goede voorbeeldscholen die De Morgen naar voren schuift bevestigen verder het patroon. De Brusselse school is een school met kinderen van ook veel hoog opgeleide ouders. De West-Vlamingen zijn de beste leerlingen, want daar zijn ook de meeste kinderen die thuis Nederlands spreken. Bovendien wordt er gedweept met ‘discipline’. Wie naar de leraar luistert, haalt betere resultaten. Het druist in tegen alles wat ik als lerarenopleider aan mijn studenten wil meegeven. Dat meertaligheid en diversiteit een meerwaarde zijn, dat we kinderen niet moeten leren zwijgen maar voor zichzelf moeten leren opkomen, respectvol hun mening moeten leren geven, al verschilt die van de andere.

Ik dacht dat onderwijs ging over respect leren hebben voor elkaars kwaliteiten.

Ten slotte koppelt De Morgen de kwaliteit van het onderwijs aan de uitstroom naar universiteit en hogeschool. Wat een slag in het gezicht van zij die voor het beroepsonderwijs kiezen. Ik dacht dat onderwijs ging over het zoeken naar talenten van leerlingen, of het nu rekenen, taal, zwemmen, houtbewerking of brood bakken was. Ik dacht dat onderwijs ging over respect leren hebben voor elkaars kwaliteiten, maar vooral ook leerlingen begeleiden om die talenten te ontdekken, in plaats van te hameren op dat wat ze minder kunnen.
Op onze hogeschool hebben we heel wat allochtone studenten. Gelukkig maar. En dat zorgt inderdaad voor wel wat taalproblemen. Zo was er vorige week de studente van Turkse afkomst die ik ging bezoeken tijdens haar lesje Nederlands in het zesde leerjaar. Het was een schooltje in het centrum van Antwerpen. De klas telde geen enkele blanke leerling. Af en toe maakte ze een fout tegen de lidwoorden. In de nabespreking wees ik haar erop. Ze keek verschrikt, tot ik haar geruststelde. ‘Maak van je kwetsbaarheid je sterkte. Vertel dat jij ook nog moeilijkheden hebt met de lidwoorden. Laat de leerlingen je mee verbeteren, ga samen op zoek in een woordenboek naar de juiste lidwoorden, want jij kan zoveel betekenen voor hen. Jij hebt in hun schoenen gestaan. Jij bent een voorbeeld. Dat ook zij kunnen worden wie ze willen worden. Dat is een veel grotere impact dan het juiste lidwoord. Ik weet dat vele taalleerkrachten het niet met me eens zullen zijn. Maar mijn jarenlange ervaring als leerkracht Nederlands voor anderstaligen, leerkracht in het tweedekansonderwijs en lerarenopleider hebben me geleerd dat het meest kwaliteitsvolle onderwijs gemaakt wordt door individuele leerkrachten. Zij die geloven in de leerling, zij die talenten bevestigen, die kwetsbaarheden omzetten in sterktes, zij die kinderen leren spreken in plaats van zwijgen, zij die niet zichtbaar zijn in de statistieken van De Morgen maar voor één enkele leerling al, ongeacht zijn afkomst, thuistaal, of studietoelage het verschil kunnen maken.